Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2007
Datum publicatie
03-07-2007
Zaaknummer
04-6671 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-appellabel besluit? Niet-ontvankelijk verklaring door rechtbank zonder Uwv in de gelegenheid te hebben gesteld een verweerschrift in te dienen. In hoger beroep vernietiging en terugverwijzing naar rechtbank.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2007-07-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2007/155
USZ 2007/256

Uitspraak

04/6671 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 december 2004, 04/1855 (hierna: aangevallen uitspraak).

Datum uitspraak: 2 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

Bij een bij de rechtbank op 17 augustus 2004 ontvangen ongedateerde brief heeft appellant zich erover beklaagd dat het Uwv de hoogte van zijn uitkering heeft gewijzigd en dat het Uwv zich schuldig maakt aan oplichting, foltering en mishandeling.

Ondanks herhaald verzoek heeft appellant geen besluit overgelegd waartegen zijn beroep zich richt. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant verklaard dat hij een WAJONG-uitkering had van € 805,-, die plots is verlaagd naar € 802,95.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Dit op grond van de overweging dat geen sprake is van een besluit waartegen beroep bij de rechtbank openstaat, maar dat het gaat om een primaire beslissing waartegen appellant heeft beoogd op te komen. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voorts overwogen dat de op 17 augustus 2004 ontvangen brief op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) naar het Uwv dient te worden doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift.

In de aangevallen uitspraak is als enige partij aangemerkt appellant. Het Uwv is niet als partij aangemerkt. De rechtbank heeft bij het Uwv geen stukken opgevraagd en het Uwv overigens ook op geen enkele wijze van het beroep van appellant op de hoogte gebracht.

In hoger beroep heeft appellant zijn beschuldigingen in de richting van het Uwv herhaald.

Uit hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen kan de Raad niet anders afleiden dan dat de rechtbank van opvatting is dat het Uwv ten aanzien van appellant een besluit heeft genomen. In zo een situatie dient het Uwv als partij bij het geschil te worden aangemerkt en dient het Uwv te worden verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te zenden.

Vervolgens dient de rechtbank in een uitspraak tussen appellant en het Uwv haar oordeel neer te leggen. De Awb biedt niet de mogelijkheid zonder het Uwv in de procedure te betrekken een schriftelijke uitspraak als bedoeld in Afdeling 8.2.6. van de Awb te doen.

De aangevallen uitspraak kan mitsdien niet in stand blijven.

De Raad wijst de zaak op grond van artikel 26 van de Beroepswet terug naar de rechtbank. Ter voorlichting van partijen en ter voorkoming van misverstanden merkt de Raad nog op dat deze uitspraak geenszins betekent dat de rechtbank gehouden is appellant in zijn beroep te ontvangen, laat staan zijn beroep gegrond te verklaren.

Deze uitspraak strekt er slechts toe dat het Uwv alsnog in de procedure wordt betrokken, dat op basis van de door het Uwv in te brengen gedingstukken en de reactie van appellant hierop wordt vastgesteld of en zo ja tegen welk besluit het beroep van appellant zich richt en wordt vastgesteld wat het gevolg hiervan is.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2007.

(get.) R.C. Stam.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.