Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
03-07-2007
Zaaknummer
07-2064 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens wangedrag: In de onwenselijkheid van terugkeer van betrokkene in zijn functie ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2064 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: verzoeker)

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 februari 2007, 07/341 en 06/7791 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2007. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Božilovic en mr. N.D.A.M. van Dorst, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie. Namens betrokkene is verschenen

mr. M.J. de Haas, verbonden aan de VBM/NOV.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, aangesteld als beroepsmilitair voor bepaalde tijd bij de Koninklijke Marechaussee (KMar), en laatstelijk werkzaam in de functie van medewerker verwijderingen District Schiphol, is bij besluit van 8 juni 2006 met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), met ingang van 1 juli 2006 ontslagen wegens wangedrag. Het ontslag is gebaseerd op het feit dat betrokkene op 2 oktober 2005 buiten diensttijd in zijn woonplaats [woonplaats] een persoon in een café een klap in het gezicht heeft gegeven, naar aanleiding waarvan door deze persoon aangifte wegens mishandeling is gedaan bij de politie.

1.2. Het ontslagbesluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 augustus 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van betrokkene neemt. De rechtbank heeft - kort samengevat en voorzover hier van belang - geoordeeld dat vaststaat dat betrokkene op 2 oktober 2005 fysiek geweld heeft gebruik tegen een derde, met letsel tot gevolg en dat er derhalve sprake was van wangedrag, maar dat het opgelegde strafontslag niet evenredig is aan de ernst van dit wangedrag.

3. Verzoeker heeft op 6 april 2007 hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak ingesteld. Op diezelfde datum heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de Raad verzocht de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep. Als spoedeisend belang voert verzoeker aan dat de aangevallen uitspraak zeer waarschijnlijk geen stand zal houden en dat door de opschorting van de werking van de aangevallen uitspraak schade en ongemak wordt voorkomen. De uitvoering van de aangevallen uitspraak noopt er immers toe dat het dienstverband met betrokkene met terugwerkende kracht tot 1 juli 2006 wordt hersteld en vanaf die datum bezoldiging betaald zal moeten worden, hetgeen betrokkene weer zal moeten restitueren indien uiteindelijk het ontslagbesluit in hoger beroep toch stand zal houden. Verzoeker meent voorts dat indien betrokkene ter uitvoering van de aangevallen uitspraak moet worden toegelaten tot het werk, de verweten gedraging daaraan in de weg staat, nu die gedraging schadelijk is voor de dienstvervulling.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, op zich zelf niet voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft bepaald dat voor gedingen als de onderhavige het instellen van hoger beroep de werking van de uitspraak niet opschort, ook niet in gedingen waarbij ontslag wegens wangedrag aan de orde is. Kennelijk heeft de wetgever in het algemeen het risico van de problemen die verbonden (kunnen) zijn aan het moeten naleven van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan willen leggen.

4.3. In de door verzoeker aangevoerde redenen met betrekking tot de onwenselijkheid van terugkeer van betrokkene in zijn functie ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel. Deze redenen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter te algemeen en niet toegespitst op het onderhavige geval en kunnen worden aangevoerd in vrijwel iedere procedure waarbij ontslag wegens wangedrag aan de orde is.

4.4. De voorzieningenrechter acht hierbij nog van belang dat tot aan het ontslag van betrokkene op 1 juli 2006 in de verweten misdraging kennelijk geen belemmering tot voortzetting van de werkzaamheden door betrokkene is gezien, nu betrokkene tot de ingangsdatum van zijn ontslag de werkzaamheden behorende bij zijn functie heeft kunnen verrichten, terwijl de leidinggevende van district Schiphol reeds vanaf eind 2005 van het gebeurde op de hoogte was en verzoeker zelf sinds 17 januari 2006. In die periode is het functioneren van betrokkene naar blijkt uit een verslag van een functioneringsgesprek over de periode juli 2005 tot mei 2006, opgemaakt op 21 mei 2006, zelfs expliciet als goed gekwalificeerd, waarbij nog is vermeld dat betrokkene zeer geschikt wordt geacht voor het vervullen van een andere functie binnen de KMar, eventueel in een hogere rang.

De voorzieningenrechter ziet tegen die achtergrond dan ook geen zwaarwegende belemmering voor verzoeker om betrokkene thans weer toe te laten tot zijn werk.

4.5. Het vorenstaande betekent dat betrokkene ter uitvoering van de aangevallen uitspraak zo snel mogelijk in de gelegenheid zal moeten worden gesteld om zijn arbeid bij de KMar te verrichten – om praktische redenen te stellen op uiterlijk 1 augustus 2007 of zoveel eerder als mogelijk is - en dat betrokkene alsdan aanspraak heeft op betaling van salaris.

4.6. Nu voorts namens betrokkene ter zitting is meegedeeld dat betrokkene voorlopig afziet van zijn aanspraak op nabetaling van achterstallig salaris vanaf 1 juli 2006 totdat op het hoger beroep van verzoeker is beslist, is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat, nu er tevens op die grond geen sprake meer is van een restitutierisico, een zwaarwegend spoedeisend belang dat het treffen van een voorziening vordert, ontbreekt. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

5. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande aanleiding verzoeker met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. Serno als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) B. Serno.

JvS

2206