Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
05-5572 WAO + 05-5573 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Terugvordering. Betalingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5572 WAO + 05/5573 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2005, 03/1187 en 03/5011 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2007, waar appellante, zoals tevoren was aangekondigd, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 april 1997 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv,

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), een bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over de periode van 12 april 1994 tot en met 31 december 1996 van appellante teruggevorderd.

De rechtbank oordeelde bij haar uitspraak van 9 juli 1999 - naar aanleiding van het beroep dat appellante tegen dit besluit had ingesteld - dat door toedoen van appellante onverschuldigd uitkering was betaald en dat er geen dringende redenen waren gebleken die het Lisv aanleiding hadden moeten geven om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De rechtbank heeft het besluit niettemin vernietigd, aangezien daarin geen termijn was genoemd waarbinnen moest worden betaald en geen specificatie was gegeven van het terug te betalen bedrag.

Appellante heeft in deze uitspraak berust. Het Lisv heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, waarbij is aangevoerd dat de rechtbank met haar uitspraak buiten de grenzen van het geschil was getreden. De Raad heeft naar aanleiding hiervan bij zijn uitspraak 11 december 2001 (99/4359) geoordeeld dat de rechtbank, gelet op hetgeen door appellante was aangevoerd, het besluit van 29 april 1997 had moeten vernietigen vanwege de door haar aangevoerde grief dat het besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berustte. Hierdoor kleefden diverse gebreken aan het besluit. Zo ontbrak een beslissing over de invordering en was ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de periode vóór en na 1 augustus 1996. Voorts had het Lisv nagelaten om aandacht te besteden aan de vraag of het feit dat aan appellante geen inlichtingenformulieren waren toegezonden, grond opleverde om tot matiging van de terugvordering over te gaan. De Raad heeft daarom de uitspraak van de rechtbank bevestigd voor zover aangevochten.

Het Uwv heeft een nader terugvorderingbesluit van 29 oktober 2002 genomen met betrekking tot de genoemde periode en dit besluit, nadat daartegen door appellante bezwaar was gemaakt, gehandhaafd bij besluit van 25 februari 2003 (bestreden besluit 1). Daarbij heeft het Uwv overwogen dat met ingang van 1 augustus 1996 de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid (Wet BMTI) van kracht is geworden. De onverschuldigde betalingen, die vóór deze datum betaalbaar zijn gesteld, zijn op grond van de tot deze datum geldende wetgeving teruggevorderd, waarbij het Uwv in aanmerking heeft genomen dat de uitkering door appellantes toedoen onverschuldigd is betaald en dat er geen aanleiding is voor matiging. De onverschuldigde betalingen, die daarna betaalbaar zijn gesteld, heeft het Uwv overeenkomstig de regels van de Wet BMTI teruggevorderd, waarbij in aanmerking is genomen dat de vordering is ontstaan door een overtreding van bedoelde mededelingsverplichting en niet is gebleken dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voorts is appellante verzocht om binnen zes weken na 29 oktober 2002 een betalingsregeling met het Uwv te treffen. Aangezien zij daarop niet is ingegaan, is in het besluit op bezwaar van 25 februari 2003 vermeld dat het Uwv gehouden is zelf de aflossingstermijn vast te stellen.

Het Uwv heeft daarop bij besluit van 11 juli 2003 aan appellante verzocht het teruggevorderde bedrag van € 23.226,34 vóór 10 augustus 2003 te betalen. Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante daarop niet heeft gereageerd en besloten dat zij vanaf 10 december 2002 wettelijke rente over het verschuldigde bedrag en invorderingkosten van € 681,- dient te betalen. Het Uwv heeft beide besluiten, nadat daartegen door appellante bezwaar was gemaakt, bij besluit van 25 september 2003 gehandhaafd (bestreden besluit 2).

De rechtbank heeft het beroep, dat appellante tegen de besluiten van 25 februari 2003 en van 25 september 2003 heeft ingesteld, bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd herhaald. Zij heeft als eerste grief naar voren gebracht dat het Uwv, gezien de inhoud van de eerdere uitspraken van de rechtbank en de Raad, niet meer de vrijheid had om een nader terugvorderingsbesluit te nemen dat in de plaats kwam van het besluit van 29 april 1997. En mocht het besluit van 29 oktober 2002 als een op zichzelf staand nieuw besluit worden gezien, dan meent appellante dat daarbij de geldende termijnen voor terugvordering zijn overschreden. Voorts heeft zij naar voren gebracht dat de besluitvorming hoe dan ook onvoldoende is gemotiveerd. Hierdoor acht zij ook de invordering onrechtmatig.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 8:72 vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de rechtbank die een beroep gegrond verklaart, het bestuursorgaan kan opdragen een nieuw besluit te nemen. Indien bij een vernietiging van het bestreden besluit in de uitspraak geen opdracht tot het nemen van een nieuw besluit is opgenomen, betekent dit echter niet dat er geen mogelijkheid of plicht voor het bestuursorgaan bestaat tot het nemen van een nieuw besluit. Uit de overwegingen in de uitspraak of uit de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen volgt in dat geval of en hoe het bestuursorgaan opnieuw dient te besluiten. Vóór de inwerkingtreding van de Awb was dit niet anders; ook toen brachten een gegrondverklaring en vernietiging naar hun aard mee dat het bestuurorgaan geacht werd een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak was overwogen.

In het onderhavige geval staan de eerdere uitspraken van de rechtbank en de Raad niet in de weg aan het nemen van een nader besluit, waarbij de Raad opmerkt dat de terugvordering over de periode tot 1 augustus 1996 een discretionaire bevoegdheid van het Lisv betrof, terwijl het Lisv voor de periode daarna de verplichting had over te gaan tot terugvordering van onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad verwijst in dit verband naar het wettelijk kader zoals dit door de rechtbank op bladzijde 2 van de aangevallen uitspraak is vermeld. Reeds uit de hierin opgenomen verplichting tot terugvordering vloeit voort dat het Uwv een besluit moest nemen dat in de plaats kwam van het vernietigde besluit. Hetgeen appellante over termijnoverschrijding heeft aangevoerd behoeft hierdoor verder geen bespreking meer.

Met betrekking tot het standpunt van appellante dat het besluit tot terugvordering onvoldoende is gemotiveerd overweegt de Raad het volgende.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met inachtneming van het oordeel dat zij in haar eerdere uitspraak daarover al had gegeven - overwogen dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat door appellantes toedoen onverschuldigd aan haar is betaald in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO (oud), zoals deze bepaling nog van toepassing is op terugvorderingen met betrekking tot de periode tot

1 augustus 1996. Voorts heeft zij overwogen dat het Uwv thans voldoende onderbouwd heeft aangegeven dat het niet toezenden van inlichtingenformulieren appellante niet ontsloeg van de verplichting om haar inkomsten uit eigen beweging door te geven en waarom het niet toezenden van formulieren in dit geval geen reden is om tot matiging van de terugvordering over te gaan.

De Raad is met het Uwv van oordeel dat appellante redelijkerwijs, gelet op de aard en hoogte van haar nieuwe inkomsten als wethouder, duidelijk moet zijn geweest dat zij te veel aan uitkering ontving. Van haar kon in de gegeven omstandigheden verwacht worden dat zij de toenmalige bedrijfsvereniging schriftelijk van haar inkomsten op de hoogte stelde. Zij mocht er voorts niet op vertrouwen, totdat haar schriftelijk en ondubbelzinnig anders zou zijn bericht, dat deze inkomsten niet met haar uitkering zouden worden verrekend. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het Uwv redelijkerwijs heeft kunnen besluiten om het verschuldigde bedrag volledig terug te vorderen. Van een daartoe ontoereikende motivering is thans niet gebleken.

Met betrekking tot de periode van 1 augustus 1996 tot en met 31 december 1996 geldt op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO dat het Uwv is gehouden om hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Uit het vierde lid van dit artikel volgt verder dat op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. Volgens vaste jurisprudentie kunnen deze dringende redenen slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale consequenties die de terugvordering voor een betrokkene zal hebben. Appellante heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een beroep op dringende redenen rechtvaardigen. De Raad oordeelt derhalve dat het Uwv thans over genoemde periode op goede gronden en met de juiste motivering tot terugvordering is overgegaan.

Hetgeen appellante overigens nog heeft aangevoerd met betrekking tot de besluitvorming inzake de terugvordering kan niet leiden tot een ander oordeel. De Raad merkt nog op dat de door haar aangevoerde omstandigheid, dat het maatmaninkomen destijds niet juist is vastgesteld, niet kan meebrengen dat het eerste bestreden besluit in rechte niet kan standhouden, aangezien het maatmaninkomen daarvan geen deel uitmaakt.

Het hoger beroep dat ziet op de terugvordering is ongegrond.

Wat betreft het tweede bestreden besluit inzake de invordering van het verschuldigde bedrag stelt de Raad vast dat appellante hiertegen slechts heeft aangevoerd dat de daaraan ten grondslag liggende terugvordering niet rechtmatig is. Dit betekent dat, nu dit niet is komen vast te staan, het hoger beroep dat ziet op de invordering niet kan slagen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL