Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
05-4196 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4196 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2005, 04/3673 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als veilingmedewerker toen hij zich op 11 februari 1998 ziek meldde met rechter schouderklachten. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellant, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, met ingang van

10 februari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts S.R. Hofman appellant op 22 december 2003 onderzocht. In haar rapport van dezelfde datum heeft Hofman vermeld dat het volgens appellant heel slecht met hem ging, dat hij zijn rechterarm in het geheel niet kon gebruiken en dat hij tot in de pols uitstralende pijn in de schouder had. Bij haar onderzoek nam Hofman waar dat er slechts minimale beweging van de rechterarm mogelijk was, maar geen sprake was van atrofie en dat er, bij veel pijnaangifte, geen bewegingsbeperkingen van de rug waren. Aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek vond Hofman niet. In de door Hofman opgevraagde informatie van de behandelend revalidatiearts van 15 januari 2004, waarin werd verwezen naar diens brief van 18 maart 2003, werd melding gemaakt van duidelijk uitgesproken pijngedrag en afweerspanning bij de fysiotherapeut. Uit deze informatie en uit haar eigen onderzoek leidde Hofman in haar rapport van 27 januari 2004 af dat gebruik van de rechter arm voor appellant niet onmogelijk was, maar nam zij, ook al werden de beperkingen voornamelijk veroorzaakt door pijngedrag, beperkingen voor zware schouderbelasting aan. Zij werkte haar bevindingen uit in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 9 februari 2004. Op basis hiervan en na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) werd bij het arbeidskundig onderzoek een aantal functies geselecteerd en het verlies aan verdienvermogen op nihil gesteld. Vervolgens nam het Uwv het besluit van 20 februari 2004, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 april 2004 werd ingetrokken.

In de bezwaarprocedure ter zake van het besluit van 20 februari 2004, waarin appellant aangaf dat hij als gevolg van zijn psychische klachten en klachten aan de rechter arm en schouder geen duurzaam benutbare mogelijkheden meer had, stelde de bezwaarver-zekeringsarts P. van de Merwe in zijn rapport van 22 oktober 2004 vast dat Hofman in de FML voldoende rekening had gehouden met de schouderklachten van appellant. Op basis van de aan hem gerichte brief van de RIAGG Rijnmond Noord West van

30 september 2004, waarin werd vermeld dat appellant op 8 april 2004 een oriënterend gesprek heeft gehad bij de RIAGG en dat sprake is van een eenmalige depressieve stoornis in verband met de intrekking van de WAO-uitkering, heeft Van de Merwe de FML aangepast door rekening te houden met de verminderde psychische spanningsboog. Van der Merwe gaf voorts gemotiveerd aan dat van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden bij appellant geen sprake was. In verband met de aanpassing van de FML bezag de bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl blijkens zijn rapport van 25 oktober 2004 nogmaals de geselecteerde functies en hij concludeerde na overleg met Van der Merwe dat alle functies nog geschikt waren en dat er geen verlies aan verdienvermogen was. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 27 oktober 2004 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 februari 2004 ongegrond.

De rechtbank onderschreef in de aangevallen uitspraak de medische grondslag van het besluit van 27 oktober 2004 (hierna: het bestreden besluit). Zij overwoog dat uit de informatie van de RIAGG niet viel af te leiden dat appellant op de datum in geding vanwege psychische problematiek niet zou kunnen werken. Met betrekking tot de arm- en schouderklachten stelde de rechtbank vast dat geen medische informatie was overgelegd ter onderbouwing van het standpunt van appellant dat hij door die klachten meer beperkt was. Ten aanzien van de vraag of de geselecteerde functies medisch geschikt zijn overwoog de rechtbank dat in de beroepsfase een tweetal rapporten van Van Zijl van

10 en 29 maart 2005 zijn overgelegd. De rechtbank gaf weer dat volgens het rapport van 10 maart 2005 nader onderzoek via handmatige vergelijking geen extra signalen opleverde, dat de geselecteerde functies rustige en lichte productiefuncties zijn en dat het niet-matchende item conflicthantering in deze functies niet voorkwam. Voorts overwoog de rechtbank dat volgens het rapport van 29 maart 2005 alsnog de functie veiling-medewerker afleverservices (SBC-code 111250) verviel vanwege het duwen van veilingkarren, dat één van de tot de SBC-code 111160 behorende functies ondanks de vermelding van een bijzondere belasting inzake het handelingstempo kon worden gehandhaafd omdat geen spake was van een hoog handelingstempo en dat er ook bij het vervallen van de evengenoemde functie geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad inzake het CBBS van 9 november 2004 (o.a. LJN: AR4716) verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde zij het bestreden besluit en bepaalde zij dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Dit laatste motiveerde de rechtbank met de vaststelling dat met de evenvermelde rapporten van Van Zijl de schatting alsnog is voorzien van een deugdelijke toelichting.

In hoger beroep is namens appellant het eerder voorgedragen standpunt herhaald. Dit standpunt houdt in essentie in dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en dat hij niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen.

De Raad heeft, uitgaande van deze grieven, geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank. De Raad voegt hier nog aan toe dat de gemachtigde van appellant op 7 mei 2007 nog aan de Raad berichtte dat hij ook thans niet beschikt over aanvullende relevante medische informatie. Wat betreft de vraag of de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies medisch geschikt zijn, heeft de Raad, gelet op de in beroep overgelegde rapporten van Van Zijl, geen aanknopings-punten gezien het daarover gegeven oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden.

De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MH