Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8520

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
06-1768 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van een vaste aanstelling groepsleerkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1768 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 februari 2006, 05/1569, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: college)

Datum uitspraak: 14 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Smeets, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is per 1 maart 2003 als groepsleerkracht in tijdelijke dienst met een werktijdfactor van 0,4 tot 1 augustus 2003 aangesteld bij het openbaar onderwijs in de gemeente Heerlen. Aansluitend hieraan volgde een tijdelijke aanstelling tot 1 maart 2004, wederom met een werktijdfactor van 0,4 en met daarnaast tot aan dezelfde datum twee tijdelijke uitbreidingen met een werktijdfactor van respectievelijk 0,4 en 0,2.

Bij besluit van 14 juli 2003 is aan appellant bericht dat zijn functie met ingang van

1 augustus 2003 in het zogenoemde risicodragend deel van de formatie (rddf) was opgenomen.

Vervolgens is aan appellant een op 10 februari 2004 gedateerde aanstellingsakte uitgereikt, waarmee hij per 1 maart 2004 in vaste dienst werd aangesteld met een werktijdfactor van 1,0.

Met een bij beslissing van 26 oktober 2004 gehandhaafd besluit heeft het college met ingang van 1 augustus 2004 aan appellant ontslag verleend en daarbij aangegeven dat dit strekte tot beëindiging van een vaste aanstelling van 0,4 fte en van twee tijdelijke uitbreidingen van zijn aanstelling.

1.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 mei 2005, 04/1950, overwogen dat de aanstelling per 1 maart 2004 in vaste dienst voor een werktijdfactor van 1,0 een fout betrof; deze aanstelling had moeten worden verleend voor een werktijdfactor van 0,4, met daarnaast een verlenging van de twee tijdelijke uitbreidingen van de aanstelling tot een totaal van werktijdfactor 1,0. De rechtbank heeft in deze uitspraak het aan appellant per

1 augustus 2004 verleende ontslag vernietigd, omdat dit betrekking had op genoemde drie aanstellingen, terwijl formeel nog steeds sprake was van een enkele vaste aanstelling met werktijdfactor 1,0, aangezien de fout die was gemaakt bij de op 10 februari 2004 gedateerde aanstellingsakte nimmer was hersteld.

1.3. Het college heeft bij het bestreden besluit van 21 juni 2005 het aanstellingsbesluit van 10 februari 2004 ingetrokken en heeft daarvoor in de plaats gesteld een akte van aanstelling in vaste dienst ingaande 1 maart 2004 met een werktijdfactor van 0,4 en twee tijdelijke uitbreidingen van de aanstelling van 1 maart 2004 tot 1 augustus 2004 met een werktijdfactor van respectievelijk 0,4 en 0,2 en de bezwaren van appellant wederom ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat partijen berust hebben in de uitspraak van de rechtbank van 10 mei 2005. In deze uitspraak heeft de rechtbank uitdrukkelijk geoordeeld dat de vaste aanstelling voor een werktijdfactor van 1,0 per 1 maart 2004 een fout betrof en dat appellant gelet op de reeds gegeven rddf-plaatsing en de overige hieromtrent voor de uitreiking van deze akte gevoerde gesprekken met de directeur, redelijkerwijs heeft kunnen weten dat deze aanstellingsakte niet juist was. De Raad dient dit oordeel dan ook in het onderhavige hoger beroep tot uitgangspunt te nemen.

3.2. Hiervan uitgaande staat in de onderhavige zaak centraal de vraag of het college bij de intrekking achteraf van het foutieve aanstellingsbesluit van 10 februari 2004 en de nadere bepaling van appellants rechtpositie in een vaste aanstelling met een werktijdfactor van 0,4 met daarnaast twee tijdelijke uitbreidingen, gehandeld heeft in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, waarbij deze vraag ontkennend is beantwoord. Nu appellant redelijkerwijs had kunnen en moeten beseffen dat een vaste aanstelling voor een werktijdfactor van 1,0 niet te verenigen was met de herhaaldelijk door de directeur gedane mededeling dat naar verwachting in het komende jaar geen formatie meer voor hem beschikbaar was, had hij er rekening mee kunnen houden dat deze aanstelling op een vergissing berustte en dat de gemaakte fout zou worden hersteld. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het besluit van het college om daartoe alsnog over te gaan in strijd is geweest met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel.

3.3. De Raad overweegt vervolgens dat het ontslag per 1 maart 2004 uit de vaste aanstelling met de werktijdfactor 0,4 door het college bij besluit van 3 september 2004 is ingetrokken en dat deze aanstelling ongewijzigd is voortgezet. Tegen het beëindigen van de twee tot 1 augustus 2004 verleende tijdelijke uitbreidingen met in totaal een werktijdfactor van 0,6 heeft appellant inhoudelijk geen gronden aangevoerd, anders dan dat dit in strijd was met het besluit van 10 februari 2004 tot aanstelling in vaste dienst per 1 maart 2004. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2. met betrekking tot de intrekking van dit besluit is overwogen moet dit standpunt van appellant worden verworpen.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A.A.M. Mollee en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.

HD

29.05