Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
05-5498 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtenaar eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5498 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 juli 2005, 04-1431(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen (hierna: college)

Datum uitspraak: 21 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Terlingen, werkzaam bij de gemeente Velsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is per 1 april 2002 aangesteld in vaste dienst als planner/projectleider bij de afdeling [afdeling] van de gemeente Velsen. Mede vanwege zijn gebrek aan ervaring op dit werkterrein en aandachtspunten die uit een assessment naar voren waren gekomen, zijn bij zijn indiensttreding afspraken gemaakt over begeleiding en ondersteuning, het houden van voortgangsgesprekken en het volgen van functiegerichte opleidingen.

1.2. In de maanden juni tot december 2002 hebben met appellant meerdere gesprekken plaatsgevonden, waaronder een functioneringsgesprek, waarbij - naast positieve punten - aanmerkelijke tekortkomingen in appellants functioneren aan de orde zijn gesteld. In januari 2003 is door zijn begeleiders geconstateerd dat ondanks de nodige inspanningen van appellant en van de organisatie, er nauwelijks vooruitgang was op een aantal belangrijke aspecten van de functie. Tijdens de bespreking op 22 januari 2003 van een plan van aanpak om alsnog de noodzakelijke vooruitgang te boeken op de aspecten procesbegeleiding en mondelinge en schriftelijke communicatie, is aan appellant de vraag voorgelegd of deze zijn functie nog wel wil blijven uitoefenen. Appellant heeft geantwoord op 10 februari 2003 dat hij in aanmerking wil komen voor een andere functie.

1.3. Appellant heeft vervolgens geen andere functie binnen de gemeente Velsen kunnen verwerven. Ook een medio 2003 gestart outplacementtraject is zonder succes gebleven.

1.4. Bij besluit van 25 november 2003 is appellant met toepassing van artikel 8:6, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met ingang van 1 januari 2004 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 8 juli 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij, gelet op zijn onervarenheid op dit werkgebied, onvoldoende is begeleid en geen reële kans heeft gekregen zich te bewijzen. Bovendien ontbreekt een negatieve beoordeling die zijn ontslag zou kunnen rechtvaar-digen. Ook zou het college onvoldoende gepoogd hebben appellant te herplaatsen binnen de gemeentelijke organisatie.

3.2. Het college heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat appellant onvoldoende is begeleid. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant op de werkplek is begeleid en dat er geregeld gesprekken met appellant zijn gevoerd over aandachtspunten betreffende zijn functioneren. Ook indien deze begeleiding gedurende de eerste periode niet, zoals door het college is gesteld, gemiddeld twee dagen per week heeft bedragen, maar, zoals appellant heeft gesteld, 10 dagen in 13 weken (zijnde ruim een uur per dag gemiddeld), dan kan de Raad dat, gelet op het niveau van de functie en de daarvoor vereiste kwalificaties, niet onvoldoende achten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant weliswaar onervaren was op dit specifieke werkterrein, maar dat hij anderzijds in zijn vorige functie zes jaar werkervaring als planner bij een revalidatiecentrum had opgedaan en daar gewend was zeer zelfstandig te werken. Zijn stelling dat de begeleiding kwalitatief onder de maat was heeft appellant onvoldoende onderbouwd.

4.2. Ook voor de grief van appellant dat hij geen reële kans heeft gekregen zich te bewijzen ziet de Raad geen grond. De gespreksverslagen laten zien dat er van meet af aan aandachtspunten en suggesties zijn geformuleerd om het functioneren van appellant te verbeteren. Een en ander mondde uiteindelijk uit in een verbeterplan dat tijdens het gesprek van 22 januari 2003 aan appellant is meegegeven, naar aanleiding waarvan appellant zelf concludeerde dat hij beter naar een andere functie kon omzien.

Met de rechtbank acht de Raad minder relevant of de gevoerde gesprekken formeel de status van functionerings- of voortgangsgesprekken hadden, en of er al dan niet een formeel beoordelingsgesprek is gehouden. Inhoudelijk stelt de Raad vast dat appellant de kritiekpunten aangaande zijn functioneren niet ten principale heeft bestreden, maar heeft volstaan met deze te relativeren door te wijzen op zijn onervarenheid.

4.3. De geuite kritiekpunten zijn ook naar het oordeel van de Raad van voldoende gewicht om te concluderen dat appellant ongeschikt was voor zijn functie. Uit de gedingstukken blijkt genoegzaam dat appellant, afgezien van het niet onverwachte gebrek aan kennis en ervaring op het specifieke werkterrein, tekort bleef schieten in voor de functie essentiële algemene vaardigheden als procesbegeleiding, en mondelinge en schriftelijke communicatie. Het college heeft, mede gelet op de ruime werkervaring van appellant, met recht het standpunt kunnen innemen dat verbetering tot een aanvaardbaar niveau op een redelijke termijn niet meer in de verwachting lag. Het college was dan ook bevoegd appellant ontslag te verlenen.

4.4. Het gehele verloop overziende moet de Raad constateren dat niet alleen appellant, maar ook het college bij de selectie van betrokkene voor deze functie hebben onderschat hoezeer het ontbreken van (kennis en) ervaring op het specifieke werkterrein, in combinatie met een aantal andere aandachtspunten die deels reeds bij het assessment naar voren waren gekomen, belemmerend zouden gaan werken voor het functioneren van betrokkene. De Raad ziet, anders dan de rechtbank, het aandeel dat het college aldus heeft gehad in het falen van betrokkene als een bijzondere omstandigheid die meebrengt dat

- ondanks het ontbreken van een wettelijke verplichting daartoe - het college op zorgvuldigheidsgronden verplicht was herplaatsingspogingen te ondernemen. Blijkbaar is het college ook van zodanige verplichting uitgegaan, gelet op zijn pogingen, onder meer door middel van een outplacementtraject, om elders een functie voor appellant te vinden.

4.5. Naar aanleiding van de grief van appellant dat de herplaatsingsinspanningen van het college onvoldoende zijn geweest, overweegt de Raad het volgende.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellant zijn stelling dat hij is tegengewerkt bij het verwerven van een passende interne functie onvoldoende onderbouwd. De Raad merkt hierbij op, dat als appellant daadwerkelijk tegenwerking bij een sollicitatie heeft ondervonden, het op zijn weg had gelegen daartegen op te komen. Appellant heeft dit nagelaten.

De Raad heeft weliswaar moeten constateren dat de gedingstukken maar weinig informatie geven over het verrichte onderzoek, maar de Raad acht op grond van het door het college overgelegde vacatureoverzicht 2003/2004 voldoende aannemelijk, dat zich tijdens de relevante periode geen reële herplaatsingsmogelijkheid voor appellant binnen de gemeente heeft voorgedaan. Ten aanzien van de door appellant desgevraagd ter zitting van de Raad aangeduide functies waarvoor hij wel belangstelling zou hebben gehad is de Raad van oordeel dat deze, onder meer vanwege de vereiste uitstekende communicatieve vaardigheden, door het college niet ten onrechte als niet passend zijn aangemerkt.

Het college heeft derhalve in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid appellant ontslag te verlenen.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit van 8 juli 2004 in rechte standhoudt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.A. Huizer.

HD

20.06