Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
05-5183 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaatsing betrokkene na reorganisatie. Weigering om betrokkene op een van de door hem opgegeven voorkeursfuncties te plaatsen omdat hij daar ongeschikt voor werd geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5183 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2005, 03/4019 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 21 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Th.M. van Doesum, juridisch adviseur te Leidschendam-Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. In het kader van een reorganisatie in 1997 waarbij de Secretarie werd omgevormd tot de Bestuursdienst, heeft appellant, die vóór de reorganisatie werkzaam was als juridisch medewerker bij het Bureau Individuele Rechtspositie (salarisgroep 11), maar wiens functie binnen de nieuwe organisatie overtollig zou worden, zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor de functies - in volgorde van voorkeur - senior juridisch adviseur/coör-dinator Individuele Rechtspositiezaken (IRZ) (salarisgroep 13), senior juridisch adviseur IRZ en senior adviseur arbeidsvoorwaarden (beide salarisgroep 12), hierna: voorkeurs-functies. Op 5 maart 1997 is aan appellant meegedeeld dat hij niet wordt geplaatst in een van de functies van zijn voorkeur omdat hij daarvoor niet geschikt wordt geacht. Appellant heeft overeenkomstig het bepaalde in de Sociale Paragraaf een klacht ingediend bij de Commissie van Goede Diensten. Hij heeft aangevoerd dat de functie juridisch adviseur IRZ hem geen enkel reëel toekomstperspectief of ontplooiingsmogelijkheid biedt en verzocht hem alsnog in aanmerking te brengen voor vervulling van een van de voor-keursfuncties, dan wel hem anderszins compensatie te bieden. Bij brief van 8 april 1997 is de weigering om appellant op een van de voorkeursfuncties te plaatsen, met overneming van het advies van de zogenoemde Commissie van Goede Diensten gehandhaafd.

1.2. Nadat een van zijn vroegere collega’s ondertussen was geplaatst op de functie senior juridisch adviseur IRZ, is appellant bij besluit van 30 mei 1997 geplaatst in de daardoor vrijgekomen functie juridisch adviseur IRZ.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor zover uit dat besluit blijkt dat hij (definitief) niet wordt geplaatst in een van de functies van zijn voorkeur. Hij heeft zijn verzoek herhaald hem alsnog in aanmerking te brengen voor een van de voorkeursfuncties en, indien dat niet gebeurt en ieder toekomstperspectief voor hem illusoir zou worden, hem anderszins compensatie te bieden.

1.3. Bij besluit van 5 februari 1999 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover verzocht om compensatie, omdat het bestreden besluit daarover niet handelt en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 maart 1999 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de niet-ontvankelijk-verklaring van het verzoek om compensatie en het college verzocht daarop een inhoude-lijk besluit te nemen. Hij heeft aangevoerd dat er bij de selectie voor de voorkeursfuncties verschillende procedurele onzorgvuldigheden zijn begaan en verzocht hem voor het inmiddels als illusoir te kwalificeren loopbaanperspectief alsnog compensatie te bieden.

1.4. Bij besluit van 30 september 1999 heeft het college afwijzend beslist op dit verzoek. Deze afwijzing is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 juli 2003.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college volgens appellant onrechtmatig zou hebben gehandeld door hem af te wijzen voor de functies waarvoor hij belangstelling had getoond. Appellant heeft echter uiteindelijk berust in die afwijzing, zodat die afwijzing rechtens onaantastbaar is geworden. Het college heeft de onrecht-matigheid van de afwijzing niet erkend, zodat het er rechtens voor gehouden moet worden dat de gewraakte afwijzing rechtmatig is en appellant geen aanspraak heeft op vergoeding van de schade die het gevolg zou zijn van de afwijzing, aldus de rechtbank.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte uitsluitend is afgegaan op de afwijzing voor de voorkeursfuncties, omdat het onrechtmatige handelen zich al eerder had voorgedaan. Volgens appellant had aan hem, toen de afdelingsleiding hem ongeschikt achtte voor de voorkeursfuncties, op grond van de Sociale Paragraaf een assessmentonderzoek moeten worden geboden alvorens er voor de coördinatorfunctie extern geworven had mogen worden. Dit klemt volgens appellant te meer omdat hij in 2000 wel een assessmentonderzoek voor de functie senior juridisch adviseur heeft ondergaan met positief resultaat. Het had volgens appellant geen zin meer aan te dringen op plaatsing in de coördinatorfunctie omdat die al sinds 1 januari 1998 was gevuld.

3.2. Het college heeft aangevoerd dat appellant weliswaar de nadruk legt op het zijns inziens onrechtmatig handelen van het college voorafgaand aan de afwijzing, maar dat appellant daarmee miskent dat hij, door uiteindelijk te berusten in deze afwijzing, niet alleen de rechtmatigheid van de afwijzing zelf, maar ook de rechtmatigheid van de daaraan voorafgegane selectieprocedure heeft aanvaard. Volgens het college heeft appellant daarom geen aanspraak op vergoeding van schade.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ter zitting heeft appellant desgevraagd verklaard dat de schade gesteld dient te worden op het verschil tussen het inkomen dat hij ontvangen zou hebben wanneer hij na een juiste procedure wel geplaatst zou zijn in de functie senior juridisch adviseur/coör-dinator IRZ in salarisgroep 13, en het inkomen dat hij na plaatsing als juridisch adviseur IRZ ontvangen heeft in salarisgroep 11.

4.2. De Raad stelt op grond hiervan vast dat appellant zijn schade relateert aan de door hem onrechtmatig geachte afwijzing voor de functie van zijn eerste voorkeur. Evenals de rechtbank kan de Raad slechts constateren dat appellant heeft berust in het besluit waarbij hij niet in die functie is geplaatst. Ook de Raad is van oordeel dat dit besluit tot niet- plaatsing op die grond voor rechtmatig moet worden gehouden, zodat er geen grond is daaruit voor appellant voortgevloeide inkomensschade te vergoeden. De Raad merkt daarbij nog op dat uit het onthouden van een assessment als zodanig nog geen inkomensschade voortvloeit.

5. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.A. Huizer.

HD

21.06