Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8450

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
05-3599 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3599 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 april 2005, 04/4387 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 20 juni 2006 gereageerd op de door appellante op 10 mei 2006 ingezonden informatie van de haar behandelend maag-, darm-, leverarts M.J.A. Alleman van 21 februari 2006.

Appellante heeft op 17 april 2007 nog nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2007.

Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door C.M. Dirix, haar vader. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als administratief medewerkster toen zij zich op

23 augustus 2002 ziek meldde als gevolg van maag-, keel- en vermoeidheidsklachten in verband met de ziekte van Pfeiffer. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij op basis van verkregen informatie van de huisarts een urenbeperking aangewezen werd geoordeeld, en arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van

11 september 2003 appellante met ingang van 23 september 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Appellante is op 6 februari 2004 andermaal verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts G.F.A.F. Slooff. Blijkens het rapport van 10 februari 2004 beschikte Slooff naast de informatie van de huisarts van 23 juli 2003 ook over een brief van de interniste dr. A.M.M. Kootte van 24 november 2003 en informatie van het Rijnlandziekenhuis over de op 17 december 2003 plaatsgevonden hebbende tonsillectomie. In het rapport van 10 februari 2004 vermeldde Slooff dat de recente informatie van Kootte, die bij uitvoerig internistisch onderzoek geen duidelijke afwijkingen vond, geen aanknopingspunten gaf ter onderbouwing van de geclaimde urenbeperking. Voorts vermeldde Slooff dat de tonsillectomie volgens appellante de klachten niet heeft doen verminderen. Onder het stellen van de diagnose post-viraal syndroom na Pfeiffer en status na tonsillectomie achtte Slooff appellante beperkt voor zware lichamelijke arbeid, maar zag hij geen reden meer voor een beperking in tijdsduur voor lichte arbeid. Slooff legde de bevindingen vast in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 februari 2004. Op basis van de FML en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 1 april 2004 werd vervolgens bij het arbeidskundig onderzoek een aantal functies geselecteerd en, uitgaande van de middelste van de drie hoogst belonende functies, het verlies aan verdienvermogen berekend op 4%. Hierna nam het Uwv het besluit van 26 april 2004, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 21 juni 2004 werd ingetrokken.

In de bezwaarprocedure heeft appellante blijkens het verslag van de hoorzitting op

25 augustus 2004 haar bezwaren tegen dat besluit toegelicht. Voorts heeft zij meegedeeld dat bij raadpleging van andere specialisten, zoals een KNO-arts, een longarts en een psycholoog, geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen. De bezwaarverzekeringsarts E.H. Groenewegen zag, na weging van het bezwaar van appellante en alle beschikbare medische informatie, blijkens het rapport van 30 augustus 2004 geen verzekeringsgeneeskundige argumenten om af te wijken van het oordeel van Slooff. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 3 september 2004 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 april 2004 ongegrond.

In beroep heeft appellante nadere informatie van de huisarts van 7 oktober 2004 overgelegd, waarin is aangegeven dat zij niet in staat is 40 uur per week te werken. Voorts gaf appellante op 30 maart 2004 (lees: 2005) aan dat zij bij de in rubriek I van deze uitspraak vermelde specialist Alleman onder behandeling is gekomen die tot een andere conclusie kwam dan eerder Kootte. Desgevraagd door de rechtbank gaf appellante op 1 april 2005 echter aan dat zij niet beschikte over een schriftelijke verklaring van Alleman. Ten slotte legde appellante een ongedateerd verslag over van de GGZ Rijnstreek over de behandeling in de periode van 16 juli tot en met 9 november 2004. Blijkens dit verslag voldeed het klachtenpatroon van appellante aan de symptomen van het chronisch vermoeidheidssyndroom en werd de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis gesteld.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van

3 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat het Uwv de medische beperkingen van appellante heeft onderschat. Daartoe wees de rechtbank op de bevindingen van Kootte en leidde zij voorts uit de informatie van GGZ Rijnstreek geen contra-indicatie op psychisch gebied af voor het verrichten van arbeid. Ten slotte achtte de rechtbank de hiervoor weergegeven visie van de huisarts in de brief van 7 oktober 2004 onvoldoende onderbouwd en geen steun vindend in de omtrent appellante beschikbare medische gegevens.

In hoger beroep heeft appellante – samengevat weergegeven – haar standpunt dat zij niet acht uur per dag zou kunnen werken gehandhaafd en ter onderbouwing daarvan het rapport van Alleman van 21 februari 2006 overgelegd.

De Raad heeft in de in de loop van de verschillende procedures beschikbaar gekomen medische informatie omtrent appellante geen aanknopingspunten gezien voor een ander oordeel omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven.

Daarbij stelt de Raad wat betreft de beoordeling van al die medische informatie voorop dat hij al eerder heeft overwogen dat in artikel 18 van de WAO -voor zover in dit verband van belang- is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Tevens is echter van belang dat in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking is gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven.

In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.

In het licht van deze in de jurisprudentie van de Raad ontwikkelde toetsingsmaatstaven ziet ook de Raad met de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege het Uwv niet op basis van het rapport van Kootte kon worden geconcludeerd dat een urenbeperking niet langer aangewezen moest worden geacht. Aan de in beroep en in hoger beroep overgelegde medische informatie kan naar het oordeel van de Raad ook niet worden ontleend dat in dit geval sprake is van een in de jurisprudentie bedoeld bijzonder geval op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in staat zou zijn voltijds medische geschikte arbeid te verrichten. Wat betreft de in beroep overgelegde informatie van de huisarts en GGZ Rijnstreek volstaat de Raad in dit verband met te verwijzen naar het hiervoor weergegeven oordeel daaromtrent van de rechtbank. In de hoger beroep overgelegde informatie van Alleman, die overigens dateert van ruim anderhalf jaar na 21 juni 2004, de datum bij het bestreden besluit in geding, is weliswaar sprake van een ernstig chronisch vermoeidheidssyndroom dat in belangrijke mate interfereert met het werk en het privéleven, maar uit deze informatie blijkt niet op welke onderzoeksbevindingen, anders dan de van appellante verkregen informatie, deze conclusie steunt.

Nu ook de Raad, gelet ook op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige

W.G.E. Buskermolen van 4 april 2005, niet is gebleken dat de functies, welke aan de in geding zijnde schatting ten grondslag zijn gelegd, in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellante, komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H. Bolt en C.W.J. Schoor als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C.D.A. Bos.

JL