Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
05-4830 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid bezwaar: termijnoverschrijding; terugwijzing

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4830 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 juni 2005, 04/1282

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 14 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting voor Beroepsonderwijs, Volwasseneducatie en Voortgezet Onderwijs heeft de Raad desgevraagd bericht niet deel te nemen aan het hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Appellante, door de Raad opgeroepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, is verschenen, bijgestaan door mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen. De minister, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties BV te Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 3 december 2001 heeft de rechtsvoorganger van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) appellante met ingang van 1 augustus 2001 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Bij besluit van gelijke datum heeft de minister appellante met ingang van 1 augustus 2001 een uitkering ingevolge het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (Bbwo) toegekend (hierna: bovenwettelijke uitkering).

1.2. Op 25 januari 2003 heeft appellante, die inmiddels een eigen bedrijf was begonnen, bij het Uwv een verzoek ingediend tot afkoop van de bovenwettelijke uitkering per

1 maart 2003. In een telefoongesprek met de behandelend ambtenaar dat op 27 mei 2003 plaatsvond heeft appellante te horen gekregen dat afkoop mogelijk is met ingang van

1 mei 2003 en dat de afkoopsom 50% bedraagt van de totale bovenwettelijke uitkering van (bruto) € 215.579,25. Appellante is in dat telefoongesprek verder medegedeeld dat zij haar aanvraag binnen twee weken schriftelijk moest bevestigen, waarna zij zo snel mogelijk bericht zou ontvangen over haar aanvraag. Bedoelde schriftelijke bevestiging is door appellante nog dezelfde dag bezorgd ten kantore van het Uwv te Groningen.

Bij brief van 27 mei 2003 is de telefonisch verstrekte informatie ook schriftelijk aan appellante medegedeeld.

1.3. Bij besluit van 3 juni 2003 heeft de minister de door appellante gevraagde afkoop toegestaan per 1 mei 2003 en de afkoopsom vastgesteld op 50% van bruto € 215.579,25. In de brief is medegedeeld dat dit bedrag binnen een maand op haar rekeningnummer zou worden overgemaakt, hetgeen ook al mondeling aan haar was verteld. Omstreeks 25 juli 2003 heeft de betaling plaatsgevonden. Appellante heeft daarvan enkele dagen later een afschrift en een specificatie ontvangen.

1.4. Bij schrijven van 3 september 2003 heeft appellante gevraagd om herberekening van de afkoopsom, omdat een fout in de berekening zou zijn gemaakt. Naar de mening van appellante zijn de twaalf uren die zij steeds heeft opgegeven voor haar werkzaamheden als zelfstandige, ten onrechte buiten de berekening van de afkoopsom gehouden.

1.5. Op 10 oktober 2003 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de afkoopsom. In dit schrijven heeft zij er onder meer op gewezen dat de vaststelling van de afkoopsom ten onrechte niet in een voor beroep vatbare beslissing is neergelegd. De minister heeft dit bezwaar met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij besluit van 16 oktober 2003 niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het te laat was ingediend.

1.6. Na vernietiging door de rechtbank van dit besluit wegens schending van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb heeft de minister het bezwaar van appellante bij besluit van 1 december 2004 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft zij bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank achtte voldoende concrete aanknopingspunten aanwezig om aan het niet-aangetekend verzenden door de minister van zijn besluit van 3 juni 2003, niet het gevolg te verbinden dat appellante, die de ontvangst van dat besluit van meet af aan heeft ontkend, dit besluit niet zou hebben ontvangen. De rechtbank achtte appellantes ontkenning van de ontvangst van het besluit van 3 juni 2003 niet geloofwaardig.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij het besluit van 3 juni 2003 nooit heeft ontvangen. Zij heeft de aangevallen uitspraak bestreden en erop gewezen dat niet meer is na te gaan of bedoeld besluit is verzonden, nu de minister geen verzendadministratie bijhoudt.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

4.2. Vast staat dat het besluit van de minister van 3 juni 2003 niet per aangetekende post aan appellante is verzonden. Nu appellante de ontvangst van dit besluit van meet af aan heeft ontkend en het risico van een niet-aangetekende verzending volgens vaste jurisprudentie van de Raad bij de verzender ligt, moet worden bezien of de minister aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 3 juni 2003 daadwerkelijk aan appellante is verzonden.

4.3. Ter zitting van de Raad is door de minister verklaard dat door hem geen (sluitende) verzendadministratie wordt bijgehouden en dat hij ook anderszins niet kan aantonen dat het besluit van 3 juni 2003 aan appellante is verzonden. Gelet op de onder 1.2. en 1.3. omschreven gang van zaken kan de Raad voorts - anders dan de rechtbank - aan het feit dat appellante bij brief van 7 juni 2003 heeft verzocht het door haar eind juni 2003 te ontvangen bedrag in twee delen te splitsen, niet de conclusie verbinden dat zij op dat moment het besluit van 3 juni 2003 reeds in haar bezit had. Dat de betaling binnen een maand te verwachten viel, was appellante immers al eerder mondeling medegedeeld. Nu ook overigens niet is gebleken dat appellante destijds het besluit van 3 juni 2003 heeft ontvangen, is de Raad van oordeel dat bekendmaking van het besluit tot toekenning van de afkoopsom eerst eind juli 2003 heeft plaatsgevonden, toen aan appellante de specificatie is toegezonden van de rond 25 juli 2003 aan haar gedane betaling.

Gezien artikel 6:8, eerste lid, van de Awb heeft de bezwaartermijn pas op dat moment een aanvang genomen.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat appellante met haar brief van 3 september 2003 tijdig - want binnen de onder 4.3. bedoelde termijn - een bezwaarschrift heeft ingediend. Dat in die brief het woord ‘bezwaarschrift’ niet is gebruikt door appellante doet er niet aan af dat de minister die brief had behoren aan te merken als een bezwaarschrift in de zin van de Awb, nu uit de inhoud en de strekking daarvan onmiskenbaar blijkt dat appellante het niet eens is met de hoogte van de toegekende afkoopsom en om heroverweging daarvan verzoekt. De brief van appellante van 10 oktober 2003, waarin zij nogmaals heeft aangegeven bezwaar te maken tegen de berekening van de afkoopsom, had moeten worden aangemerkt als een nadere adstructie van het op 3 september 2003 ingediende bezwaar.

4.5. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

5. Omdat het dossier onvoldoende gegevens bevat over de ontwikkeling van appellantes eigen bedrijf en de eventuele gevolgen die dit heeft gehad voor de omvang van haar Bbwo-uitkering zal de Raad de zaak voor verdere afdoening terugwijzen naar de rechtbank.

6. De Raad ziet aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, ten bedrage van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en van € 37,20 aan reiskosten, in totaal € 681,20.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens wat betreft proceskosten en griffierecht;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 681,20, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 103,- vergoedt;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Groningen.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get) O.C. Boute.

HD

23.05

Q