Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
06-2582 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering omdat betrokkene niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd omdat er geen gezagsverhouding was tussen haar en de werkgever en zij derhalve niet verzekerd is voor de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2582 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 maart 2006, 05/567 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Namens appellante is verschenen mr. G. Meijer, advocaat te Veendam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellante stelt per 1 januari 1998 voor onbepaalde tijd in dienst te zijn getreden bij [werkgever]. (hierna: [naam werkgever]) als administratief medewerkster met een werktijd van 20 uur per week. De ex-echtgenoot van appellante,

[J.R. S.], was directeur grootaandeelhouder van dit bedrijf. Volgens appellante is hij op 12 november 2004 met de noorderzon vertrokken onder meeneming van de gehele bedrijfsadmini-stratie. Het bedrijf is gestaakt op 15 november 2004. Appellante heeft naar aanleiding daarvan een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend in verband met het verlies van arbeidsuren. Bij brief van 25 november 2004 heeft appellante aan [S.] bericht dat zij de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzegt. In deze brief is tevens vermeld dat appellante om voor haar onduidelijke redenen nooit een cent salaris heeft ontvangen en dat zij zich alle rechten op achterstallig salaris en vakantiegeld voorbehoudt.

3. Bij besluit van 8 december 2004 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar ingaande 15 november 2004 geen WW-uitkering wordt toegekend aangezien zij niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd omdat er geen gezagsverhouding was tussen haar en de werkgever en zij derhalve niet verzekerd is voor de WW. Bij het bestreden besluit van 4 april 2005, heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 8 december 2004 ongegrond verklaard. In laatst bedoeld besluit gaat het Uwv ervan uit dat de arbeidsverhouding van appellante met [S.] moet worden getoetst aan zo genoemde gangbare materiële maatstaven voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het Uwv vermeldt vervolgens dat niet meer te achterhalen is of appellante werkzaamheden heeft verricht vanaf 1 januari 1998. Ook over het bestaan van een gezagsverhouding met [S.] kan het Uwv achteraf niets met zekerheid vaststellen. Het Uwv gaat er echter vanuit dat aan appellante vanaf 1 december 1999 geen loon is betaald. Uit het achterwege blijven van een loonvordering van de kant van appellante en in aanmerking genomen dat geen premies over het loon werden afgedragen maakt het Uwv op dat aan de voorwaarden voor het aannemen van een dienstbetrekking niet is voldaan.

4. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. Daartoe heeft zij het volgende overwogen:

"Onder privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de WW moet worden verstaan de arbeidsovereenkomst, zoals omschreven in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek: "De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten".

Uit de toelichting bij artikel 3 van de WW volgt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst als is voldaan aan de volgende vereisten:

1. de verplichting van de werkgever om loon te betalen;

2. de verplichting van de werknemer om arbeid te verrichten;

3. een gezagsverhouding.

Bij de beoordeling van deze punten is de feitelijke situatie in de praktijk van belang.

Tussen partijen is in geschil de vraag of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet voldoet aan de in artikel 3 van de WW gestelde definitie van werknemer met name omdat niet wordt voldaan aan hierboven bij 1. genoemde verplichting."

4.2. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat zij in de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor het oordeel dat aan appellante wel loon is betaald. De rechtbank heeft in dat verband in het bijzonder appellantes brief van 25 november 2004 van belang geacht nu hierin op ondubbelzinnige wijze is meegedeeld dat appellante nooit loon heeft ontvangen. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante heeft bevestigd dat haar nooit (netto) salaris is uitbetaald. Dit betekende naar het oordeel van de rechtbank dat niet aan alle vereisten was voldaan om te kunnen spreken van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

5. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank de vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht tussen haar en [S.] ten onrechte ontkennend heeft beantwoord. Zij acht het onjuist dat de rechtbank het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen appellante en [S.] heeft laten afhangen van de vraag of al of niet feitelijk loon is betaald. Uit artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek vloeit volgens appellante voort dat bepalend is of de werkgever gehouden is loon te betalen en niet of hij dit daadwerkelijk doet. Appellante stelt dat zij arbeid heeft verricht voor [S.] en dat zij heeft getracht het haar toekomende achterstallig loon van [S.] te vorderen. Dit laatste heeft tot dusver niet tot een goed resultaat geleid.

6. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

7. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

7.1. Uitsluitend aan een werknemer in de zin van artikel 3 tot en met 5 van de WW kan een uitkering ingevolge deze wet worden verleend. Op grond van deze bepalingen is een werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. De rechtbank heeft aan het begrip dienstbetrekking een juiste betekenis toegekend.

7.2. Blijkens de bewoordingen van het bestreden besluit, is de beslissing van het Uwv om appellante niet als werknemer in de zin van artikel 3 van de WW aan te merken uitsluitend gebaseerd op het standpunt dat niet gesproken kan worden van een arbeidsovereenkomst tussen haar en [S.] aangezien appellante geen loon is uitbetaald door [S.]. In het bijzonder ligt aan het bestreden besluit niet ten grondslag - en dit is ter zitting door het Uwv bevestigd - de stelling dat er tussen [S.] en appellante geen gezagsverhouding bestond, nu over een dergelijke relatie geen zekerheid te verkrijgen was.

7.3. Hiervan uitgaande overweegt de Raad dat de in 5. weergegeven grief van appellante slaagt. Ingevolge artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek is een van de vereisten voor het bestaan van de arbeidsovereenkomst de verplichting van de ene partij om de andere partij loon te betalen. Het al of niet feitelijk betalen van loon kan een aanwijzing zijn voor het al of niet bestaan van die verplichting, maar van doorslaggevend betekenis is dit niet. Onder de gedingstukken bevindt zich een, door hen beiden ondertekend, stuk “arbeidsovereenkomst” genoemd en opgemaakt tussen [S.] en appellante, uit welk stuk blijkt dat appellante zich jegens [S.] verplicht arbeid te verrichten en [S.] jegens appellante om haar maandelijks loon te betalen. Dat dit contract met betrekking tot de kwestie van loonbetaling niet in overeenstemming zou zijn met de werkelijkheid is niet gebleken. Verder heeft appellante in hoger beroep salarisstroken overgelegd die steun bieden aan haar standpunt dienaangaande. Het is de Raad voorts niet duidelijk geworden waarom het Uwv blijkens het bestreden besluit ervan uitgaat dat eerst per 1 december 1999 loonbetalingen achterwege zijn gebleven terwijl zijn in de loop van de procedure opgeworpen principale stelling is dat appellante in het geheel geen betaling heeft ontvangen. Mocht appellante vóór 1 december 1999 wel salaris hebben ontvangen dan zou dit een aanwijzing kunnen zijn voor het bestaan van de arbeidsovereenkomst. Ten slotte overweegt de Raad dat ook overigens niet gebleken is dat [S.] niet gehouden geacht moet worden appellante voor de bedongen prestatie te betalen.

7.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte op de door haar gekozen grond in stand heeft gelaten. Dat besluit had moeten worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op grond van welke bepaling de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Die uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking even als het bestreden besluit. Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar van appellante dienen te beslissen. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting en ter voorlichting van appellante merkt de Raad nog op dat deze vernietiging niet betekent dat het Uwv alsnog dient te beslissen appellante een WW-uitkering toe te kennen.

8. Toepassing gevend aan artikel 8:75 van de Awb zal de Raad het Uwv veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,--, in elk der instanties, aan kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 4 april 2005;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op het bezwaar van appellante beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in het totaal € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in het totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip werknemer.