Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
06-2896 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering compensatie toe te kennen voor pensioenschade die geleden zou zijn als gevolg van een functiewaarderingsoperatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/180
ABkort 2007/381
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2896 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 april 2006, 04/3620 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: college)

Datum uitspraak: 7 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te ’s-Gravenhage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat te ’s-Gravenhage en F.W.M. Nijf, werkzaam bij de gemeente Rijswijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als beheerder speelvoorzieningen bij de gemeente Rijswijk. Hij heeft het college op 11 maart 2002 verzocht hem, na een diensttijd van ongeveer 40 jaar, met ingang van 1 augustus 2002 ontslag te verlenen, omdat hij dan gebruik wilde maken van de zogeheten FPU-regeling. Het gevraagde ontslag is hem bij besluit van 13 juni 2002 verleend.

1.2. Bij besluit van 14 maart 2002 heeft het college de beschrijving van de door appellant uitgeoefende functie van beheerder speelvoorzieningen vastgesteld en deze functie gewaardeerd op het niveau van salarisschaal 9. Vervolgens is bij besluit van 13 juni 2002 het salaris van appellant, dat tot dan werd berekend naar het maximum van salarisschaal 6 met toelagen, met ingang van 1 mei 1999 vastgesteld op salarisschaal 9 met een extra periodiek, hetgeen neerkwam op salarisschaal 9, salarisnummer 5.

1.3. Bij brief van 8 juli 2002, door appellant ontvangen op 17 juli 2002, heeft de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) appellant meegedeeld dat een met terugwerkende kracht doorgevoerde salarisverhoging vanwege het door het ABP sinds

1 januari 1996 gehanteerde zogeheten peildatumsysteem niet tot verhoging van de berekende FPU-uitkering zou leiden. Appellant heeft zich op 18 juli 2002 tot het college gewend met het verzoek een passende oplossing te vinden voor het verschil van mening tussen het ABP en de gemeente.

1.4. Bij besluit van 16 december 2003 heeft het college appellant meegedeeld geen compensatie toe te kennen voor pensioenschade die geleden zou zijn als gevolg van de functiewaarderingsoperatie. Bij het bestreden besluit van 14 juli 2004 is het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat voor het college geen verplichting bestond om de functiewaarderingsronde op een eerder moment te voltooien.

In lijn met zijn uitspraak van 30 juni 2005, LJN AT9143, onderschrijft de Raad eveneens het oordeel van de rechtbank dat het appellants eigen verantwoordelijkheid was om zich voorafgaand aan de ontslagname te laten informeren over de mogelijke gevolgen van de op handen zijnde functiewaardering voor zijn FPU-uitkering. De daartoe geëigende instantie is het ABP. Appellant kan zijn eigen verantwoordelijkheid dienaangaande niet afwentelen op het college.

3.2. De Raad deelt niet het overigens eerst in hoger beroep door appellant ingenomen standpunt dat het college zijn brief van 18 juli 2002 had moeten aanmerken als een bezwaarschrift tegen het hem verleende ontslag. In deze brief, bezien in samenhang met het gesprek dat hij toentertijd met een functionaris van de gemeente heeft gevoerd over de brief van het ABP van 8 juli 2002, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het thans ingenomen standpunt dat appellant het hem per

1 augustus 2002 verleende ontslag had willen laten terugdraaien.

3.3. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen is ook de Raad van oordeel dat van de zijde van het college geen duidelijke en ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat de door appellant verlangde compensatie zou worden verleend.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.M. Menkveld-Botenga.