Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
06-4580 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhoging invaliditeitspercentage niet boven het percentage dat ingevolge de WPC-schaal geldt voor amputatie van dezelfde extremiteit. Waardering pijnklachten.

Wetsverwijzingen
Kaderwet militaire pensioenen 2:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4580 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juni 2006, nr. 05/1141 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 14 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Namens de staatssecretaris is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Appellant is daar in persoon verschenen met bijstand van mr. M. Smid, werkzaam bij de BNMO. De staatssecretaris heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door P.J. Consten, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. OVERWEGINGEN

Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 5 maart 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2005, heeft de staatssecretaris beslist dat geen aanleiding bestaat om bij de berekening van het aan appellant toekomende militair invaliditeitspensioen uit te gaan van een hoger invaliditeitspercentage voor de aan bij een dienstongeval opgelopen verwonding aan het linkerbeen te relateren aandoeningen dan de eerder reeds toegekende 75 (afgerond 80). Dit percentage blijft aldus met toepassing van de WPC-schaal (hierna: WPC) samengesteld als volgt:

- 45% overeenkomstig WPC 0209 wegens gestoorde enkel- en voetfunctie alsmede beenverkorting links, te vergelijken met amputatie onderbeen met stomp van meer dan 15 cm vanaf de knie;

- 10% volgens WPC 0232 (gedeeltelijk) wegens beperkte functie linkerheupgewricht;

- 10% volgens WPC 0506 wegens pijn in de linkerheup;

- 10% volgens WPC 0416 wegens verminderde rugfunctie/contracte rugspieren).

De staatssecretaris heeft deze besluitvorming gebaseerd op de resultaten van een op zijn verzoek naar die aandoeningen nader ingesteld militair geneeskundig onderzoek, in het kader waarvan appellant is gezien door de - al bij eerdere beoordeling geraadpleegde - orthopedisch chirurg H. Yard.

De rechtbank heeft het door appellant tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard, onder overweging - kort gezegd - dat uit het nader ingestelde, zorgvuldig te noemen, militair geneeskundig onderzoek noch uit de door appellant nog overgelegde medische verklaringen is gebleken van een toename van de, uit de volgens WPC-nummers 0232, 0506 en 0416 gewaardeerde aandoeningen voor appellant voortvloeiende beperkingen in vergelijking met een geheel valide leeftijd-genoot, terwijl de aandoening aan linkeronderbeen en -voet met de vergelijkenderwijs toegepaste schaal voor amputatie linkeronderbeen (WPC 0209) al maximaal is gewaardeerd.

In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren - samengevat - dat met name met het toegekende invaliditeitspercentage voor de linkeronderbeenaandoening (WPC 0209) en de pijnklachten (WPC 0506) onvoldoende recht wordt gedaan aan de pijn en hinder die in toenemende mate worden ondervonden. Die pijn en hinder zijn thans zodanig dat een vergelijking met amputatie van het gehele linkerbeen meer in de rede zou liggen, terwijl ook anderszins de WPC onder de rubriek functiestoornissen en/of via een hogere waardering volgens WPC 0506 voldoende handvat biedt om tot een hoger invaliditeits-percentage te komen. In dit verband is er mede op gewezen dat zowel de door de staatssecretaris geraadpleegde medisch specialist Yard als ook de medisch adviseur van de BNMO W. Derksen hebben vastgesteld dat sprake is van een verdere beperking van de mobiliteit van de linkerenkel met toegenomen pijnklachten, waardoor het looppatroon is verslechterd.

Evenmin als de rechtbank ziet de Raad echter in de voorhanden zijnde medische gegevens voldoende aanknopingspunt gelegen voor het oordeel dat sprake van een medisch objectiveerbare toename van de beperkingen als gevolg van de onderhavige aandoeningen. In dit verband acht ook de Raad niet onjuist of onredelijk dat complicaties van dezelfde extremiteit, in dit geval het linkeronderbeen, niet hoger worden gewaardeerd dan het invaliditeitspercentage dat volgens de in dezen nu eenmaal toepasselijke WPC aan amputatie van dat lichaamsdeel - als zijnde toch de meest vergaande beschadiging - is verbonden. Dit betekent dat een hoger invaliditeitspercentage alleen mogelijk is als de “basis”aandoening (in dit geval aan het linkeronderbeen) medisch objectiveerbaar heeft geleid tot aandoeningen elders en die aandoeningen tot extra beperkingen hebben geleid. In dit geval vielen laatstbedoelde beperkingen ten tijde hier van belang evenwel nog steeds binnen de eerder omschreven percentages van beweeglijkheid volgens WPC-nummers 0232 en 0416. Verder geldt dat ook bij de waardering van, naar aard immers subjectieve, pijnklachten in het oog moet worden gehouden in hoeverre daarbij sprake is van daaraan redelijkerwijs te verbinden extra beperkingen. De Raad acht niet gebleken dat in dit geval die waardering met een (extra) percentage van 10, volgens WPC 0506, is onderschat.

Ten slotte wijst de Raad er nog op - dit in reactie op de invoelbare, ter zitting door appellant naar voren gebrachte gevoelens van frustratie en verdriet over de ondervonden ernstige repercussies van het dienstongeval voor zijn verdere levensloop - dat de onder-havige regelgeving in beginsel slechts ziet op compensatie voor daadwerkelijk opgetreden invaliditeit in de vorm van medisch vast te stellen beperkingen. Bovendien heeft blijkens de gedingstukken de aanname dat sprake is van een situatie vergelijkbaar met amputatie, ertoe geleid dat aan appellant een - als smartengeld aan te merken - bijzondere invaliditeitsverhoging van 20% is toegekend.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

16.05