Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8356

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
05-7422 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag fietsvergoeding voor reeds verstreken periode. Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst. Verplaatsingskostenbesluit. Overgangsbepaling.

Wetsverwijzingen
Verplaatsingskostenbesluit 1989
Verplaatsingskostenbesluit 1989 XVIII
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7422 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 oktober 2005, 05/203 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 7 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Appellant is in persoon verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant declareerde tot 1 januari 2002 de kosten voor woon-werkverkeer tussen Lottum en zijn standplaats Venlo per fiets op basis van het toen geldende vervoersbeleid van de Belastingdienst, zoals opgenomen in hoofdstuk 5, onderdeel 1.12.6, van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB). Dit hield in dat de reis-kosten vergoed werden op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zonder eigen bijdrage. Gedurende de periode januari 2002 tot en met augustus 2003 volgde appellant een interne opleiding te Utrecht, waarvoor hij als tegemoetkoming in de reiskosten een NS jaarkaart ontving. Sinds medio september 2003 fietste appellant weer tussen Lottum en Venlo vice versa. In januari 2004 diende appellant een declaratie ten bedrage van € 68,58 per maand in voor de (fiets)vergoeding woon-werkverkeer waarop hij vanaf medio september 2003 recht zou hebben.

1.2. Bij besluit van 9 juli 2004 heeft de staatssecretaris de declaratie over de periode september tot en met december 2003 afgewezen, aangezien op grond van hoofdstuk 5, onderdeel 1.12.6.1, punt 7, van het RPVB de aanvraag voor een fietsvergoeding als hier aan de orde voorafgaand aan het opgegeven tijdvak moet worden ingediend, en er geen recht op vergoeding bestaat over een reeds verstreken periode.

De declaratie over de periode vanaf 1 januari 2004 heeft de staatssecretaris afgewezen voor zover deze een bedrag van

€ 22,75 per maand te boven ging, aangezien appellant volgens de staatssecretaris overeenkomstig de per 1 januari 2004 gewijzigde bepalingen van het Verplaatsingskostenbesluit (VKB) slechts € 22,75 per maand toe kwam. De overgangsbepaling uit het VKB, op grond waarvan nog tot uiterlijk 1 januari 2007 op basis van het oude vervoerbeleid van de Belastingdienst kon worden gedeclareerd, achtte de staatssecretaris niet van toepassing, aangezien voor de toepasselijkheid van die bepaling volgens de staatssecretaris de situatie per 31 december 2003 doorslaggevend is, en appellant op die datum (nog) niet declareerde.

1.3. Het besluit van 9 juli 2004 is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 24 januari 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft appellant het geding in eerste aanleg beperkt tot de handhaving van de afwijzing van de resterende declaratie over de periode vanaf 1 januari 2004. Ook de Raad zal zich derhalve in zijn oordeelsvorming beperken tot dat gedeelte van het bestreden besluit.

3.2.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag welke betekenis moet worden gehecht aan de nadere uitwerking die in het RPVB is gegeven aan de algemene overgangsbepaling betreffende het gewijzigde VKB.

3.2.2. Bedoelde algemene overgangsbepaling, vervat in artikel XVIII van het wijzigings-besluit van 26 september 2003, Stb. 394, luidt - voor zover hier van belang - als volgt: “De bestaande vervoerplannen, gebaseerd op HOOFDSTUK IIIA van het Verplaatsings-kostenbesluit 1989, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijven tot

1 januari 2007 van kracht voorzover de daarin opgenomen aanspraken voor de individuele ambtenaar hoger zijn dan die krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989 zoals dat luidt per 1 januari 2004.”

Vaststaat dat appellant vóór 1 januari 2004 aanspraken op een vergoeding voor woon-werkverkeer per fiets aan een vervoersplan als in deze bepaling bedoeld kon ontlenen, die hoger zijn dan die krachtens het VKB zoals dat luidt per

1 januari 2004.

3.2.3. In hoofdstuk 5, onderdeel 1.3.1.4, van het RPVB wordt deze algemene overgangs-bepaling letterlijk herhaald, onder toevoeging van het volgende: “Dit geldt voor ambtenaren die tot 31 december 2003 hun reiskosten op basis van die vervoerplannen declareerden. De hierop van toepassing zijnde bepalingen zijn als overgangsrecht opgenomen in hoofdstuk 21, onderdeel 1.2.5.10.”

In genoemd onderdeel 1.2.5.10. wordt onder meer vermeld: “Alleen degenen die op 31 december 2003 op basis van het toen geldende vervoerbeleid … een reiskostenver-goeding declareerden mogen dat na 1 januari 2004, doch uiterlijk tot 1 januari 2007 blijven doen.” Appellant heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat de geciteerde bepalingen uit het RPVB als beleidsregels moeten worden opgevat.

3.3. Naar het oordeel van de Raad bevat artikel XVIII van het VKB een dwingende en uitputtende regeling van het hier toepasselijke overgangsrecht. Noch uit de tekst van dit artikel noch uit de toelichting bij het in 3.2.2 genoemde wijzigingsbesluit blijkt dat met het artikel beoogd is een discretionaire bevoegdheid te scheppen tot het al dan niet toepassen van het overgangsrecht, bij de gebruikmaking van welke bevoegdheid de staatssecretaris beleid zou mogen voeren.

Het artikel verleent aan individuele ambtenaren een continuering van hun eventuele oude aanspraak op vergoeding van reiskosten, zonder verdere voorwaarden. Door het hanteren van 31 december 2003 als uiterste datum waarop volgens de oude regeling gedeclareerd moet zijn heeft de staatssecretaris die gecontinueerde aanspraak beperkt, zonder dat hem daartoe in het VKB of anderszins de bevoegdheid is gegeven.

4. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover in beroep aangevochten, in rechte geen stand kan houden, zodat dit besluit in zoverre bij de aangevallen uitspraak ten onrechte in stand is gelaten. Zowel die uitspraak als het aangevochten gedeelte van het bestreden besluit dienen te worden vernietigd.

De staatssecretaris zal in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen, met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste instantie tot een bedrag van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand en € 14,02 aan reiskosten en in hoger beroep tot een bedrag van € 32,78 aan reiskosten, derhalve in totaal € 690,80.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond voor zover dat betrekking heeft op het afgewezen gedeelte van de declaratie over de periode vanaf 1 januari 2004 en vernietigt het besluit van

24 januari 2005 in zoverre;

Bepaalt dat de staatssecretaris in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;

Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 690,80, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.