Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
05-5496 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschiktheid voor functie bij Koninklijke Luchtmacht. Bezwaren tegen de toekenning van de functie aan een ander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5496 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juli 2005, 04/3077 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, thans de Commandant Luchtstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 14 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij de ACOM. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.C. Garrels, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over de commandant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan diens rechtsvoorganger, de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten.

2. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant, aangesteld bij de Koninklijke Luchtmacht in de rang van sergeant-majoor, heeft gesolliciteerd naar de functie van Onderofficier Toegevoegd (hierna: OOT) HBA bij de vliegbasis Gilze-Rijen. De selectiecommissie heeft met appellant en enkele andere sollicitanten een selectiegesprek gehouden.

2.2. Bij besluit van 22 september 2003 is, overeenkomstig de bevindingen van de selectiecommissie, aan appellant meegedeeld dat hij geschikt is voor deze functie maar dat deze niet aan hem wordt toegewezen omdat de keuze is gevallen op een andere kandidaat. De daartegen gerichte bezwaren zijn bij het thans bestreden besluit van 14 juni 2004 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4 Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Appellant keert zich in hoger beroep uitsluitend tegen de conclusie van de rechtbank dat niet gebleken is dat H, aan wie de functie is toegewezen, niet voldoet aan de geldende functie-eisen. Volgens appellant had H niet in beschouwing genomen mogen worden bij de toewijzing van de functie, aangezien hij afkomstig is van de vakgroep Personeelszaken en daarom niet voldoet aan de volgens appellant geldende, in de vacature genoemde, functie-eis “opteren kunnen …….. vakgroepen 40A administratieve zaken”.

4.2. De Raad constateert allereerst dat in de beschrijving van de functie OOT HBA vliegbasis Gilze-Rijen, die is opgenomen in het Functiewaarderingssysteem Defensie, en welke door de commandant, in navolging van de selectiecommissie, bij de sollicitatie-procedure is gehanteerd, is vermeld dat opteren kunnen “SM en AOO uit de vakgroepen P/Admin/BEZ”. Niet in geschil is dat sergeant-majoor H, die als personeelsfunctionaris ervaring heeft opgedaan in de toen nog brede vakgroep 40A administratieve zaken en wegens een in oktober 2002 doorgevoerde reorganisatie sedertdien tot de vakgroep Personele Zaken is gaan behoren, daarmee aan voormelde functie-eis voldoet.

4.3. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat, bezien in het licht van voormelde functiebeschrijving, in de vacature kennelijk abusievelijk is opgenomen de mededeling dat opteren kunnen “SM en AOO uit de vakgroepen 40A administratieve zaken”. Die aanduiding was ook niet langer in overeenstemming met de geldende organisatie.

Naar het oordeel van de Raad is het tegenover appellant niet in strijd met de rechts-zekerheid dan wel het fair play-beginsel te achten dat de commandant bij de verdere afwerking van de sollicitatieprocedure is uitgegaan van de ruime groep die mag opteren, zoals beschreven in die functiebeschrijving. De Raad stelt daarbij voorop dat de gehanteerde optie-eis, gelet op de aard en in de inhoud van de functie, op zichzelf bezien niet onredelijk is te achten. De Raad acht voorts van belang dat appellant door bedoelde abusievelijke vermelding niet in zijn eigen sollicitatie is belemmerd, nu hij immers aan de procedure heeft meegedaan. Bovendien was niet zonneklaar, zoals de commandant ter zitting heeft uiteengezet, dat de aanduiding “vakgroepen 40A administratieve zaken” de groep mogelijke sollicitanten strikt beoogde te beperken tot de nieuwe vakgroep Administratieve Zaken, nu door de gebruikte terminologie ook kon worden gedacht aan de oude bredere vakgroep 40A administratieve zaken, waartoe zowel Personeelszaken, Administratieve Zaken als Bedrijfseconomische Zaken behoorden.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de grief van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en

R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.

HD

29.05