Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
05/4230 WAO + 05/4284
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schattingen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 99
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/130
JM 2007/131 met annotatie van Wolters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4230 WAO

05/4284 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 mei 2005, 04/146 en 05/952 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Jacobs, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007.

Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als detentietoezichthouder gedurende 41,25 uur per week toen hij zich op 22 augustus 2002 ziek meldde na een auto-ongeluk. In het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) is appellant op 10 juni 2003 onderzocht door de verzekeringsarts K.J.J. Luyten. In zijn rapport van dezelfde datum concludeerde Luyten, na weergave van een uitvoerige anamnese en van de bevindingen bij het lichamelijk en psychisch onderzoek, dat er nog steeds medische beperkingen zijn als gevolg van ziekte of gebrek. Wat betreft de psychische belastbaarheid was appellant volgens Luyten beperkt ten aanzien van het concentreren van de aandacht en was appellant aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines en hoog handelingstempo. Voorts nam Luyten beperkingen aan ten aanzien van de linkerarm en de nek en noteerde hij dat appellant moest kunnen beschikken over een stoel met neksteun en armleuningen. Hij legde een en ander vast in de Functionele Mogelijkheden Lijst van eveneens 10 juni 2003. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van

11 juli 2003 werd vervolgens bij het arbeidskundig onderzoek, na functieduiding, vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit 5,15% bedroeg. Hierna weigerde het Uwv bij het primaire besluit van 15 juli 2003 aan appellant met ingang van 21 augustus 2003 een WAO-uitkering.

In de bezwaarprocedure bracht de gemachtigde van appellant naar voren dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden had, dat subsidiair zijn beperkingen zijn onderschat en dat de geduide functies met name wat betreft het aspect zitten ongeschikt waren. De bezwaarverzekeringsarts J.A.F. Leunisse-Walboomers zag in haar rapport van 24 november 2003 geen aanleiding tot herziening van de medische grondslag van het primaire besluit en gaf aan dat de bezwaren van appellant ten aanzien van die grondslag niet waren gebaseerd op nieuwe medische gegevens, maar op de door appellant ervaren klachten en beperkingen. Leunisse-Walboomers was voorts, blijkens de door haar op

27 november 2003 geplaatste aantekeningen op de door de gemachtigde van appellant overgelegde informatie van de huisarts van 6 november 2003, waarin werd gesproken van concentratiestoornissen, vergeetachtigheid en ernstige beperkingen ten aanzien van statische belasting, van mening, dat deze informatie geen toegevoegde waarde had. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 9 december 2003 (hierna: besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond.

In beroep herhaalde de gemachtigde van appellant de in de bezwaarprocedure voorgebrachte gronden.

Het Uwv stuurde hangende de beroepsprocedure een nieuw besluit op bezwaar van

18 maart 2005 (hierna: besluit 2) in. Bij besluit 2 werd besluit 1 ingetrokken, het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit gegrond verklaard, aan appellant met ingang van 21 augustus 2003 een WAO-uitkering toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% en een vergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure. Aan besluit 2 lag onder andere ten grondslag het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige L. de Ponti van 30 juli 2004, die na correctie van het maatmaninkomen door rekening te houden met de ploegentoeslag, het verlies aan verdienvermogen berekende op 23,5%. Daarbij ging De Ponti uit van de functies productiemedewerker (SBC-code 111180), wikkelaar (SBC-code 267050) en bezorger ((SBC-code 111230). Voorts besprak De Ponti onder andere met inachtneming van de hem op 29 juli 2004 telefonisch verstrekte uitleg door Leunisse-Walboomers van de door haar aangenomen beperking ten aanzien van het zitten de belastende aspecten in deze functies.

De gemachtigde van appellant bracht – daartoe door de rechtbank op 5 april 2005 in de gelegenheid gesteld – bij brief van 12 april 2005 naar voren dat tegen besluit 2 dezelfde bezwaren bestaan als tegen besluit 1. Voorts meldde de gemachtigde dat appellant sedert de zomer van 2004 een nieuw medicijn heeft ter onderdrukking van bevingen en trillingen in onder meer zijn handen. Om deze reden achtte de gemachtigde de functies productiemedewerker en bezorger ongeschikt. Voorts wees hij op het dagelijks gedurende ongeveer één uur actief zijn boven de schouder in de functie wikkelaar, op de vereiste concentratie in de functie productiemedewerker en op het ontbreken van een stoel met neksteun en armleuningen in een auto met het oog op de functie bezorger.

In reactie op deze brief gaf de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de rechtbank op 19 april 2005 aan dat nergens uit het dossier blijkt dat appellant last had van trillende/

bevende handen, dat deze klachten door appellant niet eerder zijn aangevoerd en dat deze klachten ook niet zijn gebleken bij het onderzoek.

De rechtbank onderschreef in de aangevallen uitspraak de medische grondslag van besluit 2. Het medicijngebruik sinds de zomer van 2004 tegen trillingen en bevingen van de handen kon in het onderhavige geding, aldus de rechtbank geen rol spelen, aangezien appellant dit medicijn eerst een jaar na de datum in geding kreeg. De rechtbank onderschreef ook de arbeidskundige grondslag van besluit 2. Gelet op een en ander verklaarde de rechtbank het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen besluit 2 ongegrond. Tevens veroordeelde de rechtbank het Uwv in de door appellant gemaakte proceskosten.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant op 4 juli 2005 aangevoerd dat de gronden gelijk zijn aan de in eerdere procedures voorgedragen gronden. Voorts stelde de gemachtigde dat het hoger beroep strekt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, gegrondverklaring van het beroep tegen besluit 2, veroordeling van het Uwv in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep en veroordeling van het Uwv tot vergoeding van het griffierecht in hoger beroep.

Met inachtneming van de gronden van het hoger beroep en de vordering in hoger beroep oordeelt de Raad in de eerste plaats dat er geen grond is de aangevallen uitspraak te vernietigen vanwege de gevorderde proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Deze veroordeling is immers door de rechtbank al uitgesproken en door de gemachtigde is niet gesteld dat deze onjuist is.

De Raad heeft voorts geen aanleiding gezien ten aanzien van de medische grondslag van besluit 2 een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad merkt hierbij nog op dat Leunisse-Walboomers zich op basis van de informatie van de huisarts in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat deze geen toegevoegde waarde had, nu voor het bestaan van de volgens de huisarts aanwezige beperkingen elke motivering ontbrak. Voorts merkt de Raad op dat van de zijde van appellant in hoger beroep geen medische informatie, afkomstig van bijvoorbeeld de behandelend sector, is overgelegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellant op de datum bij besluit 2 in geding meer of ernstiger beperkt was dan vanwege het Uwv is vastgesteld. In het bijzonder is van de zijde van appellant in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij al eerder en ook ten tijde van de datum in geding zodanig last had van bevende en trillende handen dat het aannemen van specifieke beperkingen daarvoor aangewezen geoordeeld zou moeten worden.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 2 laat de Raad in het midden of de hiervoor vermelde, aan De Ponti verstrekte, toelichting op het vereiste dat moet worden gezeten op een stoel met neksteun en armleuningen een relativering inhoudt van de door Luyten beschreven beperkingen ten aanzien van het zitten. Uitgaande immers van het door Luyten geformuleerde vereiste, waaraan de zitbelasting dient te voldoen en dat ook door Luyten in de onderdelen 3.10.1 en 5.1.1. van de FML is opgenomen, stelt de Raad vast dat hier niet sprake is van toepassing van een voorziening waarvan het accepteren in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd, zoals bedoeld in artikel 9, aanhef en onder c, van het ten tijde van de datum in geding geldende schattingsbesluit. Van een voorziening als voortvloeiend uit meergenoemd vereiste kan naar het oordeel van de Raad namelijk niet worden gezegd dat deze verder gaat dan het aanbrengen van bijvoorbeeld een automaat in een handgeschakelde auto of personenbusje, welke voorziening de Raad heeft aanvaard in zijn uitspraken van 28 april 1998 (USZ 1998,188) en 26 januari 2005 (LJN: AS3950) in kader van de beoordeling van de toepassing van een overeenkomstig artikel uit een eerder geldend schattingsbesluit als evengenoemd artikel 9, aanhef en onder c. De overige bezwaren van appellant tegen de medische geschiktheid van de aan besluit 2 ten grondslag gelegde functies zijn naar het oordeel van de Raad afdoende weerlegd in het rapport van De Ponti.

Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd, zij het dat als datum in geding 21 augustus 2003 in plaats van 20 augustus 2003 moet worden aangehouden.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij in hoger beroep ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.A. Huizer.