Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
06-6366 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet blijkt dat betrokkene tijdens de Duitse bezetting vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Het optreden van kinkhoest is niet gerelateerd aan een vervolgingsaspect.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6366 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 14 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het ten aanzien van haar door verweerster genomen besluit van 28 september 2006, kenmerk JZ/E70/2006, BZ 46478, ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die is geboren [in] 1943 te Wisch als kind van woonwagenbewoners, heeft in januari 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet te worden gelijkgesteld met de vervolgde en voorts in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en enkele bijzondere voorzieningen. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op bij haar bestaande gezondheidsklachten, met name longklachten, die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Duitse bezetting en met name haar internering in het kamp Westerbork.

Verweerster heeft die aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 26 juni 2006, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat er bij appellante geen sprake is van ziekten of gebreken die verband houden met haar oorlogsomstandigheden. Om die reden kan appellante niet met de vervolgde worden gelijkgesteld. Verweerster heeft hierbij overwogen dat een verband met de longklachten en appellantes verblijf in Westerbork niet kan worden aanvaard, daar COPD en astmatische bronchitis constitutioneel bepaalde aandoeningen zijn die sterk zijn verergerd door haar rookgedrag. Voorts bereiken de psychische klachten, die bestaan uit paniek-en angstklachten, niet het niveau van ziekte of gebrek in de zin van de Wet.

In beroep heeft appellante zich gekeerd tegen verweersters opvatting dat er geen sprake is van ziekten of gebreken in de zin van de Wet. Zij voert hierbij aan dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest daar zij ervan overtuigd is dat haar gezondheidsklachten in het kamp Westerbork zijn ontstaan. Dat haar longklachten aan het roken worden gerelateerd, acht zij onjuist daar zij deze klachten al lang had voor zij begon met roken en deze klachten in de familie niet voorkomen. Gewezen is in dit verband op de medische informatie van de longarts Michielsen die aangaf dat appellante de klachten sedert jonge leeftijd heeft. Voorts wijst appellante op verklaringen van haar longarts H.H.M. Hassing, die aangeeft dat bronchiëctasieën opgelopen in de periode 1943 tot en met 1945 in het concentratiekamp Westerbork zeer wel hebben bijgedragen tot het optreden van COPD op latere leeftijd.

De Raad overweegt als volgt.

Op grond van de beschikbare gegevens komt naar voren dat appellante zich bevond bij de grote groep zigeuners die opgepakt werden met het oogmerk geïnterneerd te worden tijdens de grote razzia op 16 mei 1944. Bij deze razzia’s werd ook een aantal woonwagenbewoners niet-zigeuners opgepakt en naar het Durchgangslager Westerbork gebracht, waaruit zij echter na enige dagen werden vrijgelaten.

De Raad moet met verweerster vaststellen dat niet blijkt dat appellante tijdens de Duitse bezetting vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat door de Duitsers niet werd beoogd woonwagenbewoners (reizigers) te vervolgen als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Met verweerster neemt de Raad wel aan dat het verblijf van appellante in Westerbork een omstandigheid is die met vervolging overeenkomst vertoont.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet, voor zover van belang, kan verweerster de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met de vervolging, met de vervolgde gelijkstellen, indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is van discretionaire aard. Dat brengt mee dat de Raad een besluit als hier in geding slechts met terughoudendheid kan toetsen.

Ten aanzien van verweersters weigering om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende. Verweerster hanteert in gevallen als onderhavig de, in vaste rechtspraak van de Raad aanvaarde, beleidsregel dat bij afwezigheid van een materieel belang geen aanleiding bestaat voor toelating tot de Wet door gelijkstelling met de vervolgde met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de wet.

Blijkens de gedingstukken is het door verweerster in het bestreden besluit ingenomen standpunt in overeenstemming met de adviezen van haar geneeskundige adviseurs, welke berusten op een rapport van onderzoek van appellante van mei 2006 van de arts J.J. Nasheed-Linssen en op ontvangen informatie van appellantes huisarts W.J. Kmak. Uit dat rapport komt naar voren dat de lichamelijke klachten zijn gebaseerd op een matig ernstig obstructief longlijden (COPD) bij jarenlange nicotine abusus en een cardiomyopathie met verminderde pompfunctie. Deze pathologie leidt tot energetische tekorten zodat appellante maar beperkt belastbaar is. Het doorgemaakt hebben van kinkhoest kan niet ter verklaring dienen voor het ontstaan van COPD. Het optreden van kinkhoest is niet gerelateerd aan een vervolgingsaspect. Voorts komt naar voren dat er op grond van de causale psychische klachten geen sprake is van geringe tot matig ernstige beperkingen in de rubrieken dagelijkse activiteiten, sociaal functioneren, concentratie, doorzettingsvermogen en tempo en adaptatie aan stressvolle omstandigheden. Er kan niet gesproken worden van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van voornoemde adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens is de Raad niet kunnen blijken van voldoende aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt. Daarbij neemt de Raad in aanmerking hetgeen de longarts H.H.M. Hassing in zijn in beroep ingezonden brieven naar voren brengt, waarin hij mede op gezag van professor Wouters nog eens onderschrijft dat appellante haar bronchiëctasieën in het concentratiekamp Westerbork in de jaren 1943 tot en met 1945 heeft opgedaan en dat deze ectasieën zeker gedurende zo een lange tijd een duidelijke inflammatie opleveren en daardoor een veel grotere kans vormen op het optreden van COPD op latere leeftijd, zeker in combinatie met roken. Verweerster heeft evenwel overtuigend en gemotiveerd aangegeven dat hetgeen longarts Hassing stelt daarom al niet opgaat nu deze longarts zich gebaseerd heeft op een verblijf in kamp Westerbork tussen 1943 en 1945, terwijl feitelijk slechts sprake is geweest van een verblijf van enkele dagen, althans een korte tijd. Dat deze aandoening is ontstaan door dit korte verblijf in het kamp acht de Raad met verweerster in beslissende mate onwaarschijnlijk.

De Raad komt tot de slotsom dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van het door verweerster genomen besluit appellante niet met de vervolgde gelijk te stellen niet kan worden gezegd dat zij daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen komen.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

12.06