Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8317

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
05-4285 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Geschikt voor maatgevende arbeid? Psychische klachten onderschat? Voldoende onderzoek? Schadevergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4285 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2005, 04/2101 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M. Buitenhuis, advocaat te Uithoorn, hoger beroep ingesteld.

Mr. E. van den Boogaard, advocaat te Amsterdam, heeft als opvolgend gemachtigde aanvullende gronden ingediend. Als bijlage zijn nadere stukken uit de behandelende sector gevoegd, waaronder brieven van het algemeen maatschappelijk werk en de instelling voor geestelijke gezondheid ‘de Geestgronden’ van onderscheidenlijk

9 mei en 13 september 2005.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. In aanvulling op dit verweerschrift heeft het Uwv een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe van

14 november 2005 ingezonden. De gemachtigde van appellante heeft bij brief van

23 december 2005 op deze rapportage gereageerd. Hetgeen heeft geleid tot een reactie van het Uwv van 2 februari 2005(lees: 2006).

Namens appellante is nog een brief van haar fysiotherapeuten van 17 februari 2006 en een afschrift van het verslag van de intake bij de Geestgronden voornoemd, gehouden op 1 en 23 december 2003 en opgesteld door Y. Vondeling, psycholoog, toegezonden. Op deze brieven heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst gereageerd met zijn rapportage van 1 november 2006.

Ten slotte heeft de gemachtigde bij brief van 3 mei 2007 informatie van appellantes huisarts en uitslagen van op 24 april 2007 gemaakte röntgenfoto’s overgelegd. Dit heeft geleid tot een reactie van bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 7 mei 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E van den Boogaard voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als beveiligingsbeambte. Zij is op 14 februari 2002 uitgevallen met pijnklachten in de nek en armen.

In verband met het al of niet toekennen van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is appellante op 14 juli 2003 onderzocht door de verzekeringsarts G. Levy van Vinninghe.

Deze heeft de belastbaarheid van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum. Zoals uit de daaropvolgende rapportage van

26 augustus 2003 blijkt, is de arbeidsdeskundige P. Faber tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt te achten is voor de eigen maatgevende arbeid van beveiligingsbeambte. Bij besluit van 29 augustus 2003 heeft het Uwv een WAO-uitkering geweigerd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van

13 februari 2003 minder bedraagt dan 15%. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers is in zijn rapportage van

18 februari 2004 tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling die aan het besluit van 29 augustus 2003 ten grondslag ligt, gehandhaafd kan blijven. Bij besluit van 5 april 2004 is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Appellante stelt dat haar psychische problemen onderbelicht zijn gebleven. Weliswaar heeft zij tegenover de verzekeringsarts geen melding gemaakt van haar psychische problemen, maar zij verkeerde in de veronderstelling dat er sprake was van een intakegesprek en dat een keuring later zou volgen. Bij de arbeidsdeskundige heeft appellante het bestaan van psychische klachten wel gemeld.

Ter staving van haar stelling dat zij psychische klachten heeft die al ten tijde van de datum in geding bestonden, heeft appellante brieven overgelegd van haar maatschappelijk werker J. Barisic van 9 mei 2005 en van Y. Vondeling, psycholoog, en M.A.M. Boerma, psychiater, beiden werkzaam bij de instelling voor geestelijke gezondheidszorg de Geestgronden, van 13 september 2005. Ook heeft zij een afschrift overgelegd van het verslag van de intake door Y. Vondeling voornoemd, op 1 en 23 december 2003. Uit die brieven blijkt volgens appellante, dat zij ook ten tijde in geding psychische klachten had, die leidden tot beperkingen en die zo ernstig waren dat zij aanleiding waren voor een doorverwijzing naar de Geestgronden. Naar appellante stelt bestond er voldoende aanleiding voor het instellen van een nader onderzoek. Zij heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Daarnaast stelt appellante zich op het standpunt dat zij niet in staat is de maatgevende arbeid te verrichten. Als beveiligingsbeambte diende zij tijdens haar werkzaamheden onder meer ongeveer 18 monitoren, die zijn opgesteld in een hoek van 90 graden ten opzichte van elkaar, in de gaten te houden. Gelet op haar nekklachten is appellante, zoals uit de FML blijkt, beperkt geacht op het aspect hoofdbewegingen maken. In zijn rapportage van 14 november 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe – na overleg met de verzekeringsarts - vermeld dat er beperkingen gelden ten aanzien van hoofdbewegingen naar de uiterste standen. Daarvan is in de maatgevende functie geen sprake omdat de hoofdbeweging voorkomt tot 30 graden naar links en rechts en 45 graden tussen boven en beneden. Appellante acht dit een ongeoorloofde relativering van de door de verzekeringsarts gestelde beperking.

Het Uwv betwist de stelling dat er onvoldoende onderzoek is gedaan.

Daartoe is aangevoerd dat pas in hoger beroep de psychische problematiek aan de orde is gesteld en er stukken zijn ingebracht. Deze stukken hebben, zoals blijkt uit de rapportage van bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 1 november 2006, geen gevolgen voor het oordeel dat appellante geschikt geacht moet worden voor haar eigen werk. Hoewel volgens Hulst op grond van de overgelegde gegevens niet meer kan worden volgehouden dat er geen sprake is van psychische problematiek, leiden die gegevens niet tot meer duidelijkheid in de psychische situatie van appellante. Enerzijds lijkt er sprake van mogelijk ernstige persoonlijkheidsproblematiek, anderzijds heeft appellante desondanks toch jaren achtereen redelijk gefunctioneerd, ook in haar werk als beveiligingsbeambte.

Tevens is het Uwv van oordeel dat er geen sprake is van een ongeoorloofde relativering. Gelet op de onderverdelingen op het aspect hoofdbewegingen maken, is bij appellante de lichtste beperking aangenomen. Het was niet zo dat zij niet of nauwelijks haar hoofd kon roteren, danwel op en neer of opzij kon buigen.

Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting oordeelt de Raad als volgt.

Uit de door appellante overgelegde stukken blijkt dat zij naast fysieke klachten te kampen heeft met psychische problemen. Gezien de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Hulst van 1 november 2006 en 7 mei 2007, stelt de Raad vast dat het Uwv de psychische problematiek thans ook erkent.

Nog daargelaten de precieze redenen van het niet melden van haar psychische problemen bij de verzekeringsarts Levy van Vinninghe, stelt de Raad vast dat appellante deze problemen wel heeft gemeld bij de arbeidsdeskundige Faber. In zijn rapportage van

26 augustus 2003 heeft deze immers opgenomen dat appellante van mening is niet meer tot arbeid in staat te zijn omdat ze allerlei psychische en fysieke klachten heeft. Voorts blijkt uit de rapportage van Faber dat appellante heeft verklaard dat zij in het eerste gesprek met de verzekeringsarts lang niet alles heeft verteld, bijvoorbeeld niet over haar psychische klachten, en dat zij naast maatschappelijke begeleiding en thuiszorg wekelijks gesprekken heeft met een psychiater aangezien ze borderliner is.

Naar het oordeel van de Raad had deze melding van appellante voor de arbeidsdeskundige aanleiding moeten zijn de zaak terug te geleiden naar de verzekeringsarts, vooral ook nu de verzekeringsarts in zijn rapportage van 14 juli 2003 heeft vermeld dat medisch inhoudelijk niet echt is uitgezocht wat er speelt. Dat deze passage enkel zou zien op de nek en armklachten van appellante acht de Raad in dit verband niet overtuigend.

Uit de stukken blijkt voorts dat de bezwaarverzekeringsarts Stammers niet aanwezig is geweest bij de hoorzitting op 4 januari 2004 en appellante niet voor onderzoek heeft opgeroepen. Tijdens de hoorzitting van 4 januari 2004 heeft appellante melding gemaakt van een psychiatrische rapportage die haar werkgever zou hebben laten opmaken. Hoewel er over het bestaan van dit rapport enige onduidelijkheid is geweest, blijkt uit de in eerste aanleg overgelegde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van

4 januari 2005, dat een dergelijke rapportage wel bij het Uwv voorhanden was, maar dat daarvan geen gebruik is gemaakt.

Uit het vorenstaande concludeert de Raad dat appellante, anders dan het Uwv stelt, tijdig melding heeft gemaakt van haar psychische problematiek. Naar het oordeel van de Raad had het in elk geval - naast hetgeen de Raad hiervoor heeft vastgesteld ten aanzien van de taak van de arbeidsdeskundige in dit geval - op de weg van de bezwaarverzekeringsarts gelegen deze klachten op te pakken en nader te onderzoeken. De bezwaarverzekeringsarts Stammers heeft appellante echter gesproken noch onderzocht. Ook nadien heeft bezwaarverzekeringsarts Hulst, hoewel hij appellantes psychische problemen onderkent en van mening is dat omtrent die psychische situatie nog veel onduidelijkheden bestaan, geen onderzoek ingesteld.

Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten.

De Raad zal, gelet op de hiervoor vermelde conclusie en op de verklaring van de gemachtigde van het Uwv ter zitting dat een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv zal leiden tot de benoeming van een deskundige, het Uwv opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Raad acht het aangewezen dat het Uwv bij de voorbereiding van dat nieuwe besluit overeenkomstig deze verklaring ter zitting handelt.

Voorts zal het Uwv tevens aandacht dienen te besteden aan de toelichting die is gegeven op de beperking ten aanzien van hoofdbewegingen maken en aan de vraag of er sprake is van een acceptabele toelichting of een ongeoorloofde relativering. Daarbij merkt de Raad op dat zowel de FML van 14 juli 2003, als de toelichting die het handboek CBBS geeft op het aspect hoofdbewegingen maken, weinig duidelijkheid biedt over de reikwijdte van de beperking.

Appellante heeft in hoger beroep verzocht de schade, waaronder wettelijke rente en belastingschade, die zij als gevolg van het bestreden besluit heeft geleden te vergoeden. Dit verzoek kan, naar het oordeel van de Raad, thans niet voor toewijzing in aanmerking komen, omdat de Raad nog onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja welke omvang deze schade heeft. Wel zal het Uwv indien hij een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, bij de voorbereiding van dat besluit tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden. Indien het Uwv mocht besluiten af te zien van een nieuw besluit op bezwaar, zal hij ter zake een zelfstandig besluit dienen te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en

€ 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

Ten aanzien van het verzoek op grond van artikel 7:15 van de Awb

de kosten te vergoeden die zijn gemaakt in verband met de behandeling in bezwaar, overweegt de Raad dat dit verzoek thans niet voor vergoeding in aanmerking kan komen omdat op dit moment nog niet vaststaat of het Uwv het besluit van 29 augustus 2003 zal herroepen. Het Uwv zal indien het een nieuw besluit op bezwaar neemt aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om deze kosten te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.244, - te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht van € 140, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.A. Huizer.