Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
05-4019 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vergoeding proceskosten en toekenning wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4019 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 mei 2005, 04/659 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon adviesgroep b.v. te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Namens appellante is

J.R. Beukema verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

J.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1970, was werkzaam als accountmanager bij een verzekeringsmaatschappij toen zij op 23 november 1998 door een verkeersongeval uitviel voor haar werkzaamheden. Per 22 november 1999 is haar een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In verband met de gedeeltelijke hervatting van haar werkzaamheden is die uitkering per 1 september 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Per 22 maart 2002 heeft appellante zich ziek gemeld in verband met toegenomen klachten.

Naar aanleiding van een onderzoek door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts en op basis van een rapportage van een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige heeft appellant bij besluit van 14 augustus 2003 geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 maart onveranderd 45 tot 55% is gebleven.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft het Uwv onder handhaving van de vastgestelde belastbaarheid het verlies aan verdienvermogen berekend op 62,8%. Dit leidde tot het besluit van 17 maart 2004 waarbij het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond werd verklaard en waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 april 2002 werd gesteld op 55 tot 65%. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Mede naar aanleiding van de stellingen van appellante heeft het Uwv geconcludeerd dat van de zes aan appellante terzake van de schatting geduide functies er slechts twee passend konden worden geacht. Het Uwv was echter van oordeel dat er nog voldoende andere functies te duiden waren. Die schatting leidde wederom tot een herziening van de berekening van het verlies aan de verdienvermogen en dienstengevolge de mate van arbeidsongeschiktheid per

19 april 2002. Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheid per 19 april 2002 gesteld op 65 tot 80%. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellante tegen het besluit van 17 maart 2004 tevens gericht geacht tegen het besluit van 8 februari 2005.

De rechtbank heeft beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat het Uwv voldoende rekening heeft gehouden met de klachten van appellante. Appellante kon haar eigen werk weliswaar slechts voor 50 tot 60% verrichten, maar de rechtbank onderschreef het standpunt van het Uwv dat appellante gedurende de gehele dag in passend werk arbeid kon verrichten. De rechtbank was daarbij van oordeel dat er geen objectiveerbare onderbouwing was om ten aanzien van appellante meer beperkingen aan te nemen. De rechtbank was voorts van oordeel dat de uiteindelijk geduide functies door appellante vervuld konden worden. De rechtbank overwoog daarbij dat het in die functies ging om routinematige, praktische werkzaamheden waarbij geen bijzondere concentratie werd gevergd. De rechtbank overwoog tenslotte dat er geen reden was om het Uwv te veroordelen tot een vergoeding van de kosten van het door de gemachtigde van appellante ingebrachte rapport en de reactie van de neuroloog Niewold en de klinisch psycholoog Van der Zwaag omdat die inbreng niet had geleid tot een andere beoordeling dan waarop de besluiten van 17 maart 2004 en 8 februari 2005 zijn gebaseerd.

In hoger beroep heeft appellante betoogd dat zij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij niet gedurende hele dagen kan werken. De door het Uwv geduide functies kan zij dan ook niet uitoefenen. Appellante stelt voorts dat de uitspraak van de rechtbank niet inzichtelijk is. Volgens appellante is het werken onder tijdsdruk onjuist opgenomen in de op haar van toepassing zijn Functionele Mogelijkheden Lijst. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat het hoger beroep zich mede richt tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de kosten van de neuroloog en de klinisch psycholoog.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad is van oordeel dat er geen aanleiding is om appellante meer beperkt te achten dan door het Uwv is vastgesteld. Daarbij wijst de Raad er op dat de bezwaarverzekeringsarts reeds op 11 december 2003 heeft aangegeven dat er in wezen geen objectiveerbare medische onderbouwing is voor de ten aanzien van appellante aangenomen beperkingen. Het Uwv heeft met het aannemen van die beperkingen, tegemoetkomend aan de klachten van appellante, appellante zeker niet te kort gedaan. De bevindingen van de neuroloog Niewold en de klinisch psycholoog Van der Zwaag leiden niet tot een ander oordeel nu het door hen verrichte onderzoek en de daaruit voortvloeiende bevindingen niet waren gericht op de criteria van de WAO maar plaatsvonden in het kader van de letselschadeprocedure naar aanleiding van het auto-ongeval van 23 november 1998. Daarbij werd de functiestoornis bij appellante beoordeeld aan de hand van criteria van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment. Voorts wijst de Raad er op dat door de appellante is onderkend dat er geen sprake is van een objectiveerbaarheid van de beperkingen in de zin van de WAO. Voorzover het betoog van de appellante zo moet worden begrepen dat, gelet op alle omstandigheden van het geval en de conclusies van Niewold en Van der Zwaag, desondanks toch moet worden aangenomen dat er sprake is van beperkingen door ziekte of gebrek, wijst de Raad er op dat ingevolge vaste jurisprudentie daartoe in bijzondere gevallen kan worden geconcludeerd indien bij onafhankelijke medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat een verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten. Van een dergelijke eenduidige opvatting is in het onderhavige geval echter geen sprake.

De Raad is derhalve, met de rechtbank, van oordeel dat appellante de haar geduide functies gedurende hele dagen kan verrichten. De Raad is eveneens van oordeel dat van ‘werken onder tijdsdruk’ in de betreffende functies geen sprake is. Dat in diverse functies een bepaald aantal producten per dag moet worden ver- of bewerkt, betekent immers niet dat er zonder meer sprake is van werken onder tijdsdruk. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank ten aanzien van zowel het medische als het arbeidskundige onderdeel van het besluit van 8 februari 2005 en volstaat er voor het overige mee te verwijzen naar de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep slaagt in zoverre derhalve niet.

De Raad volgt echter niet het oordeel van de rechtbank inzake de vergoeding van de proceskosten van appellante ter zake van de door haar ingebrachte rapporten van de door haar ingeschakelde deskundigen. Het feit dat de herziening van het besluit van

17 maart 2004 bij het besluit van 8 februari 2005 uiteindelijk niet op basis van die (gezondheidskundige) rapporten is genomen maar op basis van arbeidskundige overwegingen, doet er niet aan af dat de ingebrachte rapportages betrekking hadden op het bij de rechtbank voorliggende geschil. Dat betekent dat de kosten, gemaakt ten behoeve van die rapporten, in beginsel door het Uwv vergoed dienen te worden. Uit de factuur met betrekking tot die rapporten, gedateerd 9 juni 2004 en uit die rapporten zelf, blijkt echter dat deze zijn opgesteld in het kader van de letselschadeprocedure ter zake van het ongeval. Uit die factuur blijkt voorts dat deze niet tot appellante is gericht maar tot het door appellante in de arm genomen letselschadebureau. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante voorts niet duidelijk kunnen maken in hoeverre appellante die kosten ook werkelijk heeft betaald dan wel dient te betalen. De Raad wijst derhalve het verzoek dat betrekking heeft op de vergoeding van die posten af.

Uit de factuur ten bedrage van € 200,- van Van der Zwaag van 31 januari 2005 blijkt dat deze betrekking heeft op het ter zake van het beroep van appellante ingebrachte stuk van Van der Zwaag van dezelfde datum. Gelet op het voorgaande komt het daarop betrekking hebbende verzoek voor toewijzing in aanmerking.

Ter zitting heeft de gemachtigde van Uwv aangegeven dat de gevorderde rente over de nabetaling van WAO-uitkering zal worden betaald. De Raad verwijst voor de berekeningswijze van die rente naar hetgeen hij heeft verwogen in zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

De Raad ziet tevens aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb welke kosten worden begroot op € 644,- in verband met de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering en de vergoeding van de proceskosten van € 200,- heeft afgewezen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot een aanvulling in de proceskosten van appellante in beroep met een bedrag van € 200,- en tot de proceskosten in hoger beroep ten bedrage van € 644,- in totaal € 844,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen appellante het griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL