Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
06-5148 APPA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling mate van algemene invaliditeit naar aanleiding van verzoek om uitkering wegens arbeidsongeschiktheid voort te zetten. Maatman, nevenwerkzaamheden, antihardheid, proceskostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 133a
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 133a
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5148 APPA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] (hierna: college)

Datum uitspraak: 21 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 12 april 2006, kenmerk 010-06.

Namens het college is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P.M. Backx-de Backer, werkzaam bij de gemeente [naam gemeente].

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was van september 1982 tot mei 1990 en van maart 1992 tot april 1999 wethouder de gemeente [naam gemeente]. Met ingang van 13 april 1999 is hem tot 13 maart 2005 een uitkering ingevolge de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders 1970, respectievelijk de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) toegekend.

1.2. Bij brief van 10 maart 2005 heeft appellant het college verzocht om zijn uitkering voort te zetten op grond van algehele arbeidsongeschiktheid. Bij primair besluit van 15 november 2005, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 12 april 2006, heeft het college de uitkering van appellant met ingang van 1 december 2005 voortgezet op basis van een algemene invaliditeit van 45-55%, overeenkomend met 40% van de wedde.

2. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld. Daartoe heeft hij aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat het college de WAO-criteria in het kader van de Appa onjuist heeft toegepast waardoor het arbeidsongeschiktheidspercentage te laag is berekend. Appellant is van oordeel dat als zijn maatgevende functie heeft te gelden de functie van wethouder zoals deze bestond op de datum van zijn aanvraag, te weten maart 2005, en niet de wethoudersfunctie in april 1999. Ook is hij van oordeel dat het college bij de berekening van de grondslag van de voortgezette uitkering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn vakantietoeslag en eindejaarsuitkering en ten onrechte de tijd die hij besteedt aan zijn functie van waterschapsbestuurder buiten beschouwing heeft gelaten. Tot slot heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het college zijn beroep op de anti-hardheidbepaling had moeten honoreren en zijn uitkering ongewijzigd had moeten voortzetten tot hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. In artikel 133a, eerste lid, van de Appa wordt bepaald dat de uitkering wordt voortgezet op de voet van artikel 133b van de Appa indien de belanghebbende geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt. Volgens het tweede lid van artikel 133a wordt onder geheel of gedeeltelijk algemeen invalide verstaan hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Het derde lid van artikel 133a Appa bepaalt dat bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit buiten beschouwing wordt gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

3.2. De Raad stelt allereerst vast dat het eerste lid van artikel 133a van de Appa een voortzetting van de - in het verleden aan de belanghebbende toegekende – uitkering betreft. Zoals onder 1.1. is aangegeven is appellant in april 1999 de uitkering toegekend vanwege het per 12 april 1999 neerleggen van zijn ambt als wethouder. Hieruit moet dan volgen dat als grondslag van de voortgezette uitkering onveranderd als maatgevende functie de wethouder van april 1999 heeft te gelden. Voor het standpunt van appellant dat zijn maatgevende functie de wethouder van de datum aanvraag van de voortgezette uitkering moet zijn, een functie die appellant nooit heeft bekleed, heeft de Raad in de Appa geen aanknopingspunten kunnen vinden.

3.3. Ten aanzien van de grief van appellant inzake de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering heeft het college ter zitting aangegeven dat sprake was van een rekenfout en dat deze inmiddels is gecorrigeerd. Aangezien deze correctie niet tot gevolg heeft dat sprake moet zijn van een hogere mate van algemene invaliditeit is de Raad van oordeel dat deze grief geen doel kan treffen.

3.4. De Raad volgt appellant voorts niet in zijn standpunt dat het college bij de beoordeling van de mate van zijn algemene invaliditeit ten onrechte de uren die hij aan zijn werkzaamheden als waterschapsbestuurder besteedt buiten beschouwing heeft gelaten. Immers zoals onder 3.2. is overwogen is de Appa-uitkering van appellant gebaseerd op zijn vroegere, maatgevende functie van wethouder van de gemeente [naam gemeente]. Ingevolge artikel 133a, tweede lid, van de Appa wordt bij de voortzetting van de uitkering de gehele of gedeeltelijke algemene invaliditeit vastgesteld aan de hand van de maatgevende functie van wethouder. Dat appellant tijdens zijn ambtsperiode en ook daarna werkzaamheden heeft verricht als waterschapsbestuurder maakt dat niet anders. Bij de onderhavige invaliditeitsbeoordeling is derhalve terecht geen rekening gehouden met die nevenwerkzaamheden.

3.5. Inzake de weigering van het college om toepassing te geven aan de hardheidsclausule overweegt de Raad dat ook hij bijzondere omstandigheden die het college daartoe hadden moeten brengen, niet aanwezig acht. Noch de ambtsperiode van bijna veertien jaar niet aaneengesloten wethouderschap, noch de leeftijd en handicap van appellant waardoor hij naar zijn zeggen feitelijk geen ander werk meer kan verkrijgen, kunnen als uitzonderlijk worden aangemerkt. Overigens had het college, naar ter zitting is gebleken, reeds in april 1999 besloten dat de uitkering van appellant niet zal worden voortgezet tot het tijdstip waarop appellant de leeftijd van 65 jaar bereikt, omdat door hem niet werd voldaan aan de daarvoor geldende eisen. Gelet op het derde lid van artikel 133a van de Appa, dient het feitelijk niet kunnen verkrijgen van arbeid bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit buiten beschouwing te blijven.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat de grieven van appellant geen doel kunnen treffen. Desalniettemin is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad heeft hiertoe aanleiding gezien vanwege het feit dat het college eerst bij pleitnota ter zitting van de Raad de onder 3.3. vermelde rekenfout heeft hersteld terwijl dat veel eerder in de procedure had kunnen gebeuren, en het college voorts bij diezelfde pleitnota de omvang van de voor appellant geduide algemeen geaccepteerde arbeid heeft verhoogd van de aanvankelijk in aanmerking genomen 38 uur per week naar 40 uur per week. Aangezien appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat hij in staat is om 40 uur per week arbeid te verrichten en hij zich eveneens heeft kunnen vinden in het bij die algemeen geaccepteerde arbeid vastgestelde uurloon, acht de Raad het aangewezen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4. Met betrekking tot het verzoek van appellant inzake de proceskostenveroordeling overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang bezien met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet is de Raad bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de Raad redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan de hier bedoelde veroordeling - voor zover hier van belang - uitsluitend betrekking hebben op (a) kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, (b) kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, en (c) reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende.

4.2. In het door appellant overgelegde formulier proceskosten wordt een vergoeding van kosten van een deskundige verzocht alsmede een reiskostenvergoeding. Als bijlage is een schrijven ingebracht van mr. drs. C.O.W. Dubbelman van 19 augustus 2006 waaruit blijkt dat deze aan appellant een bedrag van € 476,- in rekening heeft gebracht vanwege advies en bijstand bij het opstellen van het beroepschrift. Gelet op het bepaalde in artikel 1 van het Bpb zoals onder 4.1. is weergegeven kunnen deze kosten naar het oordeel van de Raad niet als kosten van een deskundige worden aangemerkt aangezien genoemde persoon niet ter zitting is verschenen en van een aan appellant uitgebracht verslag geen sprake is.

4.3. Evenmin betreft het hierboven genoemde bedrag kosten van aan hem beroepsmatig verleende rechtsbijstand die voor vergoeding in aanmerking komen. Ingevolge artikel 1, onderdeel a, van het Bpb wordt immers slechts een vergoeding toegekend voor proceshandelingen die zijn opgesomd in de bij dat besluit behorende bijlage. Het behulpzaam zijn bij het opstellen van een beroepschrift vormt als zodanig geen proceshandeling. Vergoeding zou slechts mogelijk zijn geweest indien het beroepschrift door of mede door mr. drs. C.O.W. Dubbelman, in een kenbare hoedanigheid als gemachtigde van appellant, zou zijn ingediend.

4.4. De Raad acht wel termen aanwezig om het college te veroordelen in de reiskosten van appellant. Deze worden begroot op € 35,40.

5. Uit het voorgaande volgt dat het door appellant aan de Raad gedane verzoek om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, met uitzondering van de veroordeling van het college in de reiskosten van appellant, moet worden afgewezen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 12 april 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 35,40 aan reiskosten;

Bepaalt dat de gemeente [naam gemeente] aan appellant het door hem gestorte griffierecht van € 141,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

18.11