Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
06/6233 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering terzake van genoten reisvoorziening de vorm van studenten OV-kaart. Voortbestaan van de nullening na aflossing, de geldende bijverdienstenregeling en de consequenties van het behouden van de OV-kaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6233 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 oktober 2006, 05/1953 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellante.

Datum uitspraak: 15 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. drs. K. Meijer. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Gedurende de periode september 2000 tot en met juni 2001 is door appellante aan betrokkene een rentedragende lening verstrekt. Over de maanden januari tot en met augustus 2002 is aan hem een zogeheten nullening en een OV-kaart toegekend.

Op 27 maart 2002 heeft betrokkene de hem door appellante verstrekte lening inclusief de daarover verschuldigde rente afgelost. Op 13 juli 2002 heeft betrokkene zijn OV-kaart ingeleverd.

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft appellante aan betrokkene een - in dat besluit ten onrechte als boete aangeduide - vordering ter zake van de door betrokkene gedurende de maanden januari tot en met juli 2002 genoten reisvoorziening opgelegd.

Bij besluit van 21 oktober 2005 (bestreden besluit) heeft appellante het daartegen gemaakte bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, een en ander met een aanvullende beslissing inzake de vergoeding van het door betrokkene betaalde griffierecht. Daartoe is door de rechtbank het volgende overwogen (waarbij voor ‘eiser’ betrokkene moet worden gelezen):

“Eiser heeft, nadat per 1 september 2000 zijn recht op een (aanvullende) basisbeurs is beëindigd, gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een lening af te sluiten bij de IBG. In het jaar 2002 heeft eiser echter geen lening meer ontvangen en op

27 maart 2002 heeft eiser de verstrekte lening inclusief de daarover berekende rente geheel afgelost. Door het aflossen van de lening, meende eiser zijn afhankelijkheid van de IBG te hebben beëindigd. Daarnaast heeft hij ingevolge de hem bekende regeling zijn OV-studentenkaart tijdig ingeleverd. De rechtbank is van oordeel dat door het aflossen van de verstrekte lening inclusief de daarover berekende rente de nullening een fictie is die in het onderhavige geval niet kan worden gehanteerd. Daarbij overweegt de rechtbank tevens dat door de IBG niet meer is voorzien in de kosten van levensonderhoud, waardoor eiser hiervoor zelf zorg diende te dragen. Het beschikbaar stellen van een OV-studentenkaart kan niet worden aangemerkt als een voorziening voor levensonderhoud. Het had op de weg van de IBG gelegen om in een situatie als de onderhavige duidelijke informatie te verstrekken over het voortbestaan van de nullening na aflossing, de geldende bijverdienstenregeling en de consequenties van het behouden van de OV-kaart.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een situatie waarin met toepassing van de hardheidsclausule, van de zeer strikte regels van de Wsf 2000 kan worden afgeweken. Het had in de rede gelegen dat de IBG de boete beperkt had tot de periode van januari 2002 tot en met maart 2002.”

Naar het oordeel van de Raad keert appellante zich terecht tegen het door de rechtbank gegeven oordeel. Indien, zoals in de situatie van betrokkene, niet langer recht op een basisbeurs bestaat, voorziet de Wet studiefinanciering 2000 in de mogelijkheid studiefinanciering te verstrekken in de vorm van een lening met daaraan gekoppeld een OV-studentenkaart. Indien vervolgens geen gebruik wordt gemaakt van de geboden leningsfaciliteit, de zogeheten nullening, maar wel van de OV-studentenkaart, betekent dit niet dat geen studiefinanciering is verstrekt. Appellante voert ook met recht en reden aan dat het feit dat betrokkene in maart 2002 de schuld uit rentedragende lening die hem gedurende de periode september 2000 tot en met juni 2001 aan hem is uitbetaald heeft afgelost, onverlet laat dat aan hem gedurende de maanden januari tot en met juli 2002 een zogeheten nullening was toegekend, dat hij gedurende deze maanden in het bezit was van een OV-studentenkaart en dat niet valt in te zien dat de aflossing door betrokkene in maart 2002 van zijn schuld uit een rentedragende lening over een andere periode (september 2000 tot en met juni 2001) tot afwijking van de wettelijke bijverdienregeling over 2002 zou moeten leiden door middel van toepassing van de hardheidsclausule. Voorts heeft appellante terecht aangevoerd dat niet valt in te zien dat voor de vraag of de bijverdienregeling in de onderhavige situatie van toepassing is relevant zou zijn dat door haar in 2002 niet meer is voorzien in de kosten van levensonderhoud van betrokkene en dat betrokkene op grond van het beschikbare voorlichtingsmateriaal niet de conclusie had mogen trekken dat de bijverdienregeling in de onderhavige situatie niet van toepassing was. De Raad overweegt verder dat hij geen aanknopingspunten ziet voor de juistheid van de stelling dat appellante tekort is geschoten in de informatievoorziening dan wel dat betrokkene door medewerkers van de appellante op het verkeerde been is gezet.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het inleidende beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, Uitgesproken op 15 juni 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.