Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
06-4108 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek herziening grondslag periodieke WUV-uitkering afgewezen. Nieuwe feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4108 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 14 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 20 april 2006, kenmerk JZ/T60/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslacht-offers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Aldaar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren [in] 1940, heeft tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië vervolging ondergaan. Bij besluit van 22 november 1990 is door verweerster aan appellant een periodieke uitkering toegekend met ingang van 1 november 1985. De grondslag waarnaar deze periodieke uitkering wordt berekend is door verweerster vastgesteld naar het inkomen dat appellant uit het beroep van verkoper bij een koeltechnisch bedrijf zou hebben genoten en is bepaald op Rp 240.000,- per maand. Blijkens de aan dit besluit ten grondslag liggende stukken heeft verweerster daarbij tot uitgangspunt genomen de door appellant ten behoeve van de grondslagvast-stelling verschafte informatie waaruit blijkt dat hij vanaf 1964 verkoper bij [naam bureau 1] alsmede commissaris was en een inkomen verdiende van in totaal Rp 200.000,- per maand. Tegen verweersters besluit van 22 november 1990 zijn door appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij schrijven van 4 januari 2005 heeft appellant aan verweerster verzocht de voor de berekening van zijn uitkering vastgestelde grondslag te herzien. Onder inzending van contracten en betalingsbewijzen heeft appellant aangegeven dat hij directeur was van technisch bureau [naam bureau 1], alsmede van het bedrijf [bedrijf 2] en technisch bureau [bedrijf 3]. Dit verzoek van appellant heeft verweerster afgewezen bij besluit van 15 december 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat appellant bij zijn herzieningsverzoek geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld.

De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

De Raad stelt allereerst vast dat het geding betrekking heeft op een verzoek om herziening aan verweerster op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet, teneinde de eerder voor appellant vastgestelde grondslag te verhogen. Ingevolge deze bepaling is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster hiervan gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Daarbij staat in zaken als deze centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die verweerster bij het nemen van haar besluit van 22 november 1990 niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.

Ook de Raad is van oordeel dat de gegevens die door appellant bij zijn herzienings-verzoek zijn ingebracht onvoldoende zijn om vast te stellen dat de grondslag van appellants periodieke uitkering destijds te laag is vastgesteld. De Raad acht hiertoe doorslaggevend dat deze gegevens geen betrekking hebben of door appellant daad-werkelijk gegenereerde inkomsten of anderszins inzichtelijk maken dat hij in 1985 diende te worden ingedeeld in een hogere inkomensklasse dan de voor hem per 1 november 1985 vastgestelde grondslag van Rp. 240.000,-. Ook overige omtrent appellant, zijn familie en het door hen gerunde bedrijf beschikbare gegevens maken dat niet aannemelijk.

Het voorgaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J.P. Schieveen.