Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
06-4057 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUV-uitkering. Vervolging ondergaan tijdens Japanse bezetting in WOII?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4057 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 21 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 14 juni 2006, kenmerk JZ/060/2006, door verweerster genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hier: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om, voor zover hier van belang, als vervolgde voor een periodieke uitkering ingevolge de Wet in aanmerking te komen. In dat verband heeft appellant gesteld dat hij tijdens de Japanse bezetting met zijn moeder en de andere kinderen op steeds verschillende plaatsen in onderduik heeft verbleven om zo uit handen van de Japanse bezetter te blijven. Appellant heeft daarbij aangegeven dat dit voorname-lijk verband hield met het Europese uiterlijk van zijn broer en zus.

2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 15 februari 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is gebleken dat appellant vervolging heeft ondergaan dan wel dat hij handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter heeft ondergaan of had te vrezen op grond van zijn ras, geloof of wereldbeschouwing, Europese afkomst of Europees gezinde instelling.

3. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door partijen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij overweegt daartoe als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof of wereldbeschouwing dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, dan wel tot onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.

3.2. Op grond van de beschikbare gegevens moet de Raad met verweerster vaststellen dat in de door appellant gegeven weergave van zijn ervaringen gedurende de Japanse bezetting geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat er sprake is geweest van onderduik nu van systematisch zich schuilhouden voor de Japanse bezetter dan wel enig gevaar voor dreigende vrijheidsberoving niet is gebleken. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant tijdens het persoonlijk onderhoud in het kader van de bezwaarfase heeft aangegeven dat hij vanwege zijn donkere huidskleur ongehinderd kon buiten spelen, omdat hij tussen de lokale bevolking niet opviel. Voorts blijkt uit de verklaringen van appellant, zoals neergelegd in het sociaal rapport van 25 november 2005, dat ook zijn moeder vrijelijk aan het openbare leven kon deelnemen. Dat zijn broer en zus kennelijk niet ongehinderd buiten konden spelen, maakt dat niet anders.

4. Op grond van het voorgaande moet de hierboven opgeworpen vraag bevestigend worden beantwoord. Het ingestelde beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J.P. Schieveen.