Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
06/4318 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BF3759
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsuitkering. Broers. Gezamenlijke huishouding? Criteria. Hat-eenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4318 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 juni 2006, 05/854 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep

ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L. van Beek en H.E. van de Beek, beiden werkzaam bij de gemeente Oldebroek.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 22 oktober 2004 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 9 november 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met de bij hem inwonende broer [W.], dat geen gezamenlijke aanvraag is ingediend en dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Nadat zijn broer op 14 april 2005 naar een ander adres was verhuisd, is aan appellant met ingang van die datum bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het College het tegen het besluit van 9 november 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 26 april 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd (omdat het ten onrechte is gebaseerd op artikel 43, tweede lid, van de WWB) en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de WWB wordt als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van een zorgbehoefte. Van dat laatste is in dit geval geen sprake.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Vaststaat dat appellant en zijn broer ten tijde hier van belang in dezelfde woning, een zogeheten HAT-eenheid aan het adres [adres] te [plaatsnaam], woonden zodat aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de WWB, het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning, is voldaan.

Het tweede criterium waaraan voor de vaststelling van een gezamenlijke huishouding moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en daarmee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde in geding ook aan het criterium van de wederzijdse zorg was voldaan. Wat er zij van de precieze afspraken tussen appellant en zijn broer, aanvankelijk zou sprake zijn van onderhuur later weer van kostgangerschap, de relatief kleine HAT-eenheid leende zich naar objectieve maatstaven niet voor zakelijke onderhuur van woonruimte en al evenmin voor het onderhouden van een zakelijke kostgangersrelatie. Appellant en zijn broer maakten beiden gebruik van de gehele woning (zonder afzonderlijke, gescheiden woonruimtes) en van de daarin aanwezige duurzame gebruiksgoederen. Appellant deed de boodschappen, kookte en verrichtte huishoudelijke werkzaamheden voor beiden. De door de broer van appellant gedane betalingen van € 300,-- per maand (later € 318,-- per maand) moeten binnen deze context als bijdrage in de huishouding worden aangemerkt. De grief van appellant dat na het gesprek met de consulent maatschappelijke dienstverlening ten onrechte geen huisbezoek is afgelegd, kan de Raad niet volgen aangezien niet valt in te zien wat onder de gegeven omstandigheden de meerwaarde van een dergelijk bezoek nog zou zijn geweest.

Anders dan het College en de rechtbank hebben geoordeeld, leidt de constatering dat ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding evenwel niet tot de conclusie dat het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen. De aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding brengt immers mee dat appellant niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt, zodat hij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande had. De gevraagde bijstand is derhalve terecht geweigerd.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.

De Raad ziet, tot slot, geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) L. Jörg.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.