Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
05-999 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/999 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 februari 2005, 04/1435 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft desgevraagd laten weten in `s Raads uitspraken van 9 november 2004 inzake het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem geen aanleiding te zien tot het geven van een nadere motivering van zijn besluit van 3 september 2004

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was laatstelijk werkzaam als datatypiste. Zij is op 5 januari 1998 uitgevallen met onder meer vermoeidheids- en psychische klachten. Bij besluit van 8 februari 1999 stelde de rechtsvoorganger van het Uwv appellante met ingang van 25 januari 1999 in het genot van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de wettelijke vijfjaarlijkse herbeoordeling heeft de verzekeringsarts T.J.W. Jansen appellante onderzocht en in zijn rapport van 22 december 2003 haar klachten omschreven als moeheid en een lichte obstructieve longfunctiestoornis. Jansen achtte appellante aangewezen op licht tot middelzware fysieke arbeid, gestructureerd van aard, zonder overmatige jaagcomponenten en deadlines in een klimatologische omgeving. Na het opklaren van het depressief beeld zou appellante mogelijk weer geschikt zijn voor het laatstelijk verrichte werk. De beperkingen die Jansen formuleerde vonden uitwerking in de kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (kFML) van eveneens 22 december 2003. Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige W. van Hoof met behulp van het

Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd. Van Hoof berekende, blijkens zijn rapport van 7 mei 2004, het verlies aan verdienvermogen van appellante op 3,63%.

In overeenstemming hiermede heeft het Uwv bij besluit van 11 mei 2004 de uitkering van appellante met ingang van 8 juli 2004 beëindigd, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% bedroeg.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch de belastbaarheid van appellante opnieuw in kaart gebracht. In haar rapportage van 7 juli 2004 concludeerde zij, na onder andere weging van de beschikbare gegevens van de behandelend sector, dat de bezwaren van appellante geen aanleiding vormen tot herziening van de medische grondslag waarop de primaire beslissing is gebaseerd. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Dijks-Leentjens in haar rapportage van 1 september 2004 na een ingesteld onderzoek geconstateerd dat de primaire arbeidskundige beoordeling een heroverweging in bezwaar kan doorstaan.

Daarop heeft het Uwv bij besluit van 3 september 2004 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 3 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

Het hoger beroep keert zich primair tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante meent dat het Uwv de voor haar geldende beperkingen ernstig heeft onderschat. Appellante voert daarnaast aan dat de geduide functie van telefoniste niet passend is te achten, daar zij daarbij regelmatig geconfronteerd wordt met agressieve mensen, hetgeen gecontraïndiceerd is. Ten slotte is appellante de mening toegedaan dat het CBBS een onjuist en onvolledig instrument is om het arbeidsongeschiktheidspercentage vast te stellen nu dit bijzonder ver af staat van reële arbeidsmogelijkheden.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat de door de verzekeringsarts Jansen opgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts Kerbusch geaccordeerde FML geen juiste weergave vormt van de bij appellante ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt daarbij dat Kerbusch blijkens haar rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante kennis droeg van uitgebreide over haar beschikbare informatie van de behandelend sector. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand op het tijdstip dat in geding is.

Ten aanzien van de door appellante geclaimde volledige arbeidsongeschiktheid verwijst de Raad naar artikel 2, vijfde lid, van het ten tijde in geding geldende Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, op grond waarvan slechts in een beperkt aantal met name genoemde gevallen sprake is van de afwezigheid van duurzaam benutbare mogelijkheden. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv met juistheid geoordeeld dat hiervan bij appellante geen sprake is.

Met betrekking tot appellantes ziekmelding in september 2004 in verband met neus- en voorhoofdsklachten overweegt de Raad dat uit de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, alsmede uit de overige beschikbare informatie, niet anders valt af te leiden dan dat het daarbij om nieuwe klachten gaat. Deze dienen naar het oordeel van de Raad dan ook buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling van het aan de orde zijnde geding.

Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de onderhavige schatting overweegt de Raad het volgende.

Ten aanzien van appellantes grief inzake het CBBS verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN: AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) waarin de Raad heeft overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten.

Inzake appellantes grief betreffende de passendheid van de door de arbeidsdeskundige geduide functie van telefoniste overweegt de Raad dat appellante blijkens de voor haar geldende kFML ten aanzien van het omgaan met conflicten beperkt is in die zin dat zij een conflict met agressieve of onredelijke personen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact kan hanteren. In bedoelde functie telefoniste wordt ten aanzien van het omgaan met conflicten gesteld dat sprake is van een bijzondere belasting, namelijk in telefonisch of schriftelijk contact moet worden omgegaan met agressieve en onredelijke personen en komen conflicten voor. Zoals de bezwaararbeidsdeskundige Dijks-Leentjens in haar rapportage van 1 september 2004 heeft aangegeven is appellante beperkt ten aanzien van het omgaan met conflicten bij direct contact met personen. Uit de omschrijving van de beperking blijkt naar het oordeel van de Raad dat zij wel geschikt is om conflicten te hanteren bij telefonisch of schriftelijk contact. Gelet op de omstandigheid dat in de functie van telefoniste geen sprake is van omgaan met conflicten in direct contact met personen komt de Raad deze functie als passend voor.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.