Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8222

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
05/3944 WAO, 05/3945 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling maatmaninkomen. Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3944 WAO, 05/3945 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 19 mei 2005, 03/1583 en 03/1584 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. den Besten, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 april 2007 is namens appellant een nader stuk overgelegd en bij brief van 7 mei 2007 is namens appellant een hem door de Raad bij brief van 19 maart 2007 gestelde vraag beantwoord.

De rechtbank heeft de Raad desgevraagd een afschrift toegezonden van haar uitspraak van 17 mei 1998, 97/6359, gewezen in een geding tussen appellant en de rechtsvoorganger van het Uwv.

II. OVERWEGINGEN

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten van het Uwv van 11 maart 2004 en 12 mei 2004 ongegrond zijn verklaard.

Bij het besluit van 11 maart 2004 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het Uwv - voor zover thans van belang - het bezwaar tegen besluiten van 3, 4 en 6 juni 2003, gegrond heeft verklaard, voor zover gericht tegen het vastgestelde maatmaninkomen, en het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2003 gegrond heeft verklaard en heeft beslist dat de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van 1 januari 2001 tot 23 december 2001 zal worden uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij het besluit van 12 mei 2004 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij hij het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2003 gegrond heeft verklaard en het bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd ter zake van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering alsnog wordt gesteld op € 12.485,63.

Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over de besluiten van 11 maart 2004 en 12 mei 2004.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is met ingang van 22 januari 1996 als buitendienstmedewerker in dienst getreden van [werkgever] (hierna: werkgever 1). Op 11 juni 1996 is appellant wegens rugklachten ongeschikt geworden voor zijn werkzaamheden. Appellant is per 22 juli 1996 door werkgever 1 ontslagen wegens reorganisatie. Met ingang van

10 juni 1997 zijn aan appellant uitkeringen toegekend ingevolge de WAO en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Van 11 december 2000 tot en met 22 april 2001 heeft appellant als opzichter gewerkt bij [werkgever 2] (hierna: werkgever 2) en van 23 april 2001 tot 23 december 2001 heeft hij gewerkt voor [werkgever 3] (hierna: werkgever 3). Op 7 oktober 2002 is appellant in dienst getreden bij architectenbureau [werkgever 4]. Het Uwv heeft de uitbetaling van appellants WAO-uitkering met ingang van 1 december 2002 geschorst en met ingang van 1 april 2003 ingetrokken. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv vervolgens de besluiten van 3, 4, 6 en 25 juni 2003 genomen. Op de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren heeft het Uwv, nadat eerder genomen besluiten op bezwaar niet zijn gehandhaafd, uiteindelijk beslist bij de hierboven genoemde besluiten van 11 maart 2004 en 12 mei 2004.

In hoger beroep heeft appellant in de eerste plaats aangevoerd dat het ten aanzien van hem vastgestelde maatmaninkomen niet juist is berekend omdat daarbij geen rekening is gehouden met door hem ontvangen provisie van werkgever 1 en in de tweede plaats dat hij tijdens zijn dienstbetrekkingen bij werkgever 2 en 3 recht had op een vergoeding van gereden kilometers, welke vergoeding (door hem berekend op f. 3.000,--) niet is uitbetaald en om die reden naar zijn opvatting in mindering dient te worden gebracht op het door hem bij deze werkgevers verdiende loon.

De Raad overweegt inzake de vaststelling van het maatmaninkomen als volgt.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat het bij het besluit van 11 maart 2004 ten aanzien van appellant in aanmerking genomen maatmaninkomen te herzien. Zij heeft daartoe overwogen dat het Uwv het maatmaninkomen van appellant per 10 juni 1997 terecht heeft vastgesteld op f. 4.400,-- bruto per maand en dat niet, althans onvoldoende, aannemelijk is gemaakt dat het door appellant in de belastingaangifte 1996 opgegeven bedrag van f. 18.000,-- ontvangen provisie betreft.

Anders dan de rechtbank is de Raad, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, van oordeel dat bij de vaststelling van het maatmaninkomen van appellant wel degelijk een bedrag aan provisie is meegenomen. Hij wijst hiertoe op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper van 3 november 2003. Schipper heeft in dit rapport het maatmaninkomen van appellant opnieuw vastgesteld, uitgaande van de door werkgever 1 verstrekte jaaropgaaf 1996. Ter zitting van de Raad hebben partijen erkend dat in het maatmaninkomen een bedrag aan provisie is meegenomen, maar blijven zij verschillen van mening over de vraag of, zoals appellant stelt, het bedrag aan provisie dat in de vaststelling van het maatmaninkomen is meegenomen te laag is vastgesteld. Appellant is van oordeel dat een bedrag van f. 18.000,-- moet worden meegenomen, terwijl het Uwv stelt dat er geen aanleiding is om het bij de vaststelling van het maatmaninkomen meegenomen bedrag aan provisie onjuist te achten.

Op grond van de voorhanden zijnde gegevens is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ter zake van provisie een bedrag van f. 18.000,-- dient te worden meegenomen. De Raad heeft weliswaar vastgesteld dat appellant dit bedrag heeft aangegeven op zijn belastingaangifte 1996 en dat er een brief is van werkgever 1 van 20 februari 1997 aan appellant waarin wordt aangegeven dat de aan hem verschuldigde provisie netto is uitbetaald en dat deze netto uitbetaalde provisie een bedrag van bruto f. 18.000,-- zou belopen, maar anderzijds blijkt uit de door werkgever 1 verstrekte jaaropgaaf 1996 dat door deze werkgever in 1996 aan appellant aan loon een bedrag is betaald van in totaal f. 33.106, en aan loonheffing is ingehouden een bedrag van in totaal f. 10.608,--. Uit een brief van de Belastingdienst van 13 april 2007 aan appellant blijkt voorts dat de Belastingdienst, voor wat betreft het loon en de ingehouden loonheffing ter zake van het dienstverband met werkgever 1, van dezelfde bedragen als vermeld op de jaaropgaaf 1996 is uitgegaan. Het betoog van appellant dat het bedrag van f. 33.106,-- op de jaaropgaaf 1996 deels bestaat uit een bruto bedrag, namelijk voor zover het het maandelijks uitbetaalde loon betreft, en deels uit een netto bedrag, namelijk voor zover het de door hem ontvangen provisie betreft, acht de Raad niet aannemelijk. Daarnaast bevindt zich onder de stukken een opgave van het recht op provisie van appellant, kennelijk afkomstig van werkgever 1, waaruit valt af te leiden dat appellant over het jaar 1996 slechts recht heeft op provisie tot een bedrag van f. 10.000,--, welk bedrag op zich past bij de verstrekte jaaropgaaf 1996.

Op grond van al deze overwegingen kan de Raad zich, zij het op andere gronden dan de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, stellen achter dat oordeel, en moet worden geoordeeld dat deze grief van appellant geen doel treft.

Ten aanzien van de reiskostenvergoeding overweegt de Raad dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant het door hem berekende bedrag van in totaal f. 3.000,-- aan vergoeding voor gereden kilometers niet van zijn toenmalige werkgevers 2 en 3 heeft ontvangen. Appellant heeft betoogd dat, nu uit de toepasselijke arbeidsovereenkomsten blijkt dat hij wel recht had op die vergoeding, de omstandigheid dat deze werkgevers die vergoeding niet hebben uitbetaald, niet te zijnen laste dient te komen. Naar zijn opvatting dient het door hem berekende bedrag om die reden in mindering te worden gebracht op het bij deze werkgevers verdiende loon, zodat voor de toepassing van artikel 44 van de WAO gedurende de periode dat hij bij deze werkgevers in dienst was van een lager bedrag aan inkomsten uit arbeid dient te worden uitgegaan. Appellant heeft er hierbij op gewezen dat ook de Belastingdienst niet acht aangetoond dat het bedrag van f. 3.000,- aan appellant is uitbetaald.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om het door appellant berekende bedrag in mindering te brengen op de door appellant bij de genoemde werkgevers verworven inkomsten. De Raad kan zich, zij het op andere gronden, achter dit oordeel stellen. Voor de toepassing van artikel 44 van de WAO dient naar het oordeel van de Raad te worden uitgegaan van de door appellant feitelijk verworven inkomsten uit arbeid. Voor het in mindering brengen op deze feitelijk verworven inkomsten van een bedrag dat naar appellant stelt niet door hem is ontvangen maar waarop hij wel recht zou hebben, ziet de Raad, gelet op de toepasselijke regelgeving, geen grondslag. Ook deze grief van appellant treft naar het oordeel van de Raad geen doel.

Op grond van bovenstaande overwegingen komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2007.

(get.) H. Bolt

(get.) M.C.T.M. Sonderegger