Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
05-5366 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Eervol) ontslag ambtenaar wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 98
Algemeen Rijksambtenarenreglement 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5366 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 juli 2005, 04/2506 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 7 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L.J.J. van Asseldonk-Hamers, advocaat te Breda. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Z. Wagenaar, J. Opsteeg en

mr. M.A.W. van der Kraan, allen werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam als medewerker Bevolkingsadministratie bij de Penitentiaire Inrichtingen [standplaats].

1.2. Op 28 maart 2002 is D, de partner van appellante, aangehouden op verdenking van het plegen van strafbare feiten. Bij vonnis van 15 december 2003 is deze partner veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar wegens doodslag, meermalen gepleegd, poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.

Vervolgens is appellante op 18 december 2003 met onmiddellijke ingang de toegang tot de inrichting ontzegd.

1.3. Nadat de minister zijn voornemen daartoe aan appellante had kenbaar gemaakt en appellante haar zienswijze hieromtrent had gegeven, heeft de minister haar bij besluit van 11 juni 2004 met ingang van 15 september 2004 (eervol) ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken als bedoeld in artikel 98, eerste lid, onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Daartoe heeft de minister onder meer overwogen dat het appellante als medewerkster van de Dienst Justitiële Inrichtingen verboden is een privé-relatie met een gedetineerde te hebben. Appellante wenst evenwel de relatie met haar gedetineerde partner voort te zetten en bezoekt hem wekelijks met de twee jonge kinderen die zij samen met hem heeft. De minister heeft gewezen op de daaraan verbonden veiligheidsrisico’s. Niet kan worden uitgesloten dat appellante informatie doorspeelt naar haar partner of diens medegedetineerden. Ook is denkbaar dat appellante chantabel wordt. Bovendien kan het aanzien en de geloofwaardigheid van de Justitie-organisatie worden geschaad.

1.4. Bij het bestreden besluit van 29 oktober 2004 heeft de minister dit ontslagbesluit na door appellante gemaakt bezwaar gehandhaafd. Voor de motivering hiervan heeft de minister verwezen naar het ter zake door de desbetreffende adviescommissie uitgebrachte advies. In dit advies is overwogen dat ook indien appellante, zoals zij ter hoorzitting heeft gesteld, de partnerrelatie met D zou hebben verbroken, dit niet wegneemt dat zij contacten met hem onderhoudt nu zij hem wekelijks met de beide kinderen blijft bezoeken. Juist kinderen zouden ook de inzet van chantage kunnen worden. Dientengevolge bestaat nog steeds een veiligheidsrisico.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het volgende.

3.1. Volgens de minister bestaat in beginsel geenszins reden om te twijfelen aan de persoonlijke integriteit van appellante. Het ontslag is dan ook eervol verleend. Appellante is evenwel, tengevolge van het feit dat haar (ex-)partner zeer ernstige strafrechtelijke vergrijpen heeft gepleegd en met name door diens daarmee verband houdende zeer langdurige detentie, in een situatie terecht gekomen waarin bij aanblijven in haar functie, gelet ook op de aard en inhoud daarvan, veiligheidsrisico’s in de door de minister bedoelde zin als onder 1.3. en 1.4. weergegeven, niet kunnen worden uitgesloten. Aangenomen dat appellante de liefdesrelatie met D had verbroken, blijft het feit dat zij hem wekelijks met hun beider kinderen een bezoek bracht. Bovendien is naar appellante ter zitting heeft medegedeeld met het oog op de opvoeding van de kinderen een vriendschappelijke relatie met D blijven bestaan. Niet ten onrechte heeft de minister met het oog op het veiligheidsrisico ook gewezen op de mogelijkheid van het ontstaan van loyaliteitsconflicten. Naar het oordeel van de Raad brengt het voorgaande mee dat de minister bevoegd was om appellante op de door hem daarvoor gebruikte grond ontslag te verlenen.

3.2. Niet kan worden staande gehouden dat de minister bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van deze bevoegdheid gebruik te maken. Dat de minister appellante na de aanhouding van haar partner aanvankelijk niet op enigerlei wijze van haar werkzaamheden heeft ontheven, zonder dat daardoor problemen zijn ontstaan, en pas na het vonnis maatregelen heeft genomen, wil niet zeggen dat het ervoor moet worden gehouden dat een veiligheidsrisico van enige betekenis ontbreekt. Van gewekte verwachtingen is voorts geen sprake, reeds omdat aannemelijk is dat appellante is kenbaar gemaakt dat het vonnis van de strafrechter zou worden afgewacht alvorens eventueel maatregelen zouden worden genomen.

3.3. De Raad overweegt verder dat geen wettelijk voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan de minister, alvorens op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR ontslag te verlenen, gehouden zou zijn een herplaatsingsonderzoek uit te voeren. In de gegeven omstandigheden is de minister er uit een oogpunt van zorgvul-digheid toe overgegaan om een dergelijk onderzoek binnen de betrokken directie te verrichten. Dit heeft evenwel niet tot resultaat geleid. Overplaatsing van appellante naar een andere inrichting bood geen soelaas omdat zij werkte met landelijke applicaties waarin de parketnummers, namen en adressen van alle gedetineerden zijn geregistreerd. Een andere voor haar geschikte functie bleek niet aanwezig.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F.Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

04.06.