Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
05-1800 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1800 WAO

Centrale Raad van Beroep

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2005, 04/2690 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Bakx-van den Anker, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bakx-van den Anker, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was laatstelijk werkzaam als koffiedame bij een advocatenkantoor te Amsterdam. Zij is op 16 september 1997 uitgevallen met acute myo- en pericarditis, CVA in de linker hemisfeer en hyperthyreoïdie. Met ingang van 15 september 1998 heeft een rechtsvoorganger van het Uwv haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Deze uitkering is met ingang van 12 januari 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en bij besluit van

22 april 2002 per 19 juni 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Naar aanleiding van het namens appellante tegen laatstbedoeld besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv op 5 september 2002 dat besluit op arbeidskundige gronden herroepen in die zin dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid per

19 juni 2002 ongewijzigd 80 tot 100% bedraagt.

In het kader van een herbeoordeling werd appellante op 24 maart 2003 gezien door de verzekeringsarts E.M. Elders. Deze achtte de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), zoals op 14 januari 2002 in het kader van de daaraan voorafgaande schatting opgesteld door de verzekeringsarts A.E. Admiraal-Hansman, nog steeds van toepassing. Elders overwoog hierbij dat appellante zelf had aangegeven dat haar medische situatie sinds de vorige beoordeling onveranderd was en dat ze niet meer in behandeling was. Verder gaven de nieuw aangeleverde gegevens van de behandelend sector Elders geen nieuwe inzichten. Hoewel appellante een normale daginvulling heeft, heeft Elders uit preventief oogpunt appellantes urenbeperking van 20 uur per week gehandhaafd. Op basis van de FML heeft de arbeidsdeskundige M.F. Engelsma met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd. Engelsma berekende, blijkens zijn rapport van 3 juni 2003, het verlies aan verdienvermogen van appellante op 61,9%. In overeenstemming hiermede heeft het Uwv bij besluit van 5 juni 2003 de uitkering van appellante met ingang van 5 augustus 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar de belastbaarheid van appellante opnieuw in kaart gebracht. In haar rapportage van 21 januari 2004 concludeerde zij, na onder andere weging van de beschikbare gegevens van de behandelend sector, dat de primaire verzekeringsarts de klachten en de daaruit voortkomende beperkingen van appellante niet heeft onderschat. Ebbelaar heeft dan ook geen medische argumenten gezien om af te wijken van het primaire medische oordeel.

Daarop heeft het Uwv bij besluit van 23 januari 2004 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 23 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

Het hoger beroep keert zich primair tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante meent dat het Uwv de voor haar geldende beperkingen in januari 2002 ernstig heeft onderschat waardoor niet-passende functies zijn geduid.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Met betrekking tot de omvang van het onderhavige geding houdt de Raad het er, mede gelet op hetgeen de gemachtigde van appellante ter zitting heeft verklaard, voor dat zij ook in eerste aanleg op zichzelf niet heeft prijsgegeven de grief dat de appellante voorgehouden functies niet passend zijn te achten. Dat appellante tegen deze functies geen bezwaren zou hebben kan niet worden afgeleid uit het in de beroepsprocedure door gemachtigde voorgedragen standpunt, inhoudende dat als de FML niet op juiste wijze is opgesteld, er ook geen medisch geschikte functies door het CBBS worden aangeboden. De Raad stelt dan ook, zulks in afwijking van het oordeel van de rechtbank, vast dat in dit geschil door appellante ook om een toetsing van dit onderdeel van de arbeidskundige grondslag van de schatting is gevraagd.

Van de zijde van appellante is - ter onderbouwing van het standpunt dat de aan het bestreden besluit – ongewijzigd – ten grondslag gelegde FML van 14 januari 2002 onjuist was - aangevoerd dat - naast de arbeidskundige grondslag - de medische grondslag van het primaire besluit van 22 april 2002 voor het Uwv aanleiding vormde dit besluit bij de beslissing op bezwaar van 5 september 2002 te herroepen. De Raad overweegt dienaangaande dat de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van

26 augustus 2002 ook hem, mede gelet op het gestelde in het verweerschrift van het Uwv in eerste aanleg van 17 juni 2004, tot geen andere conclusie vermag te leiden dan dat de eerdere primaire beoordeling louter op arbeidskundige gronden onjuist werd bevonden en dat er in het onderhavige geval slechts van een kennelijke verschrijving in het besluit van 5 september 2002 sprake is.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad voorts het volgende.

De verzekeringsarts Admiraal-Hansman heeft appellante op 14 januari 2002 voor haar spreekuur opgeroepen en haar onderzocht. In haar rapport van dezelfde datum geeft Admiraal-Hansman aan dat appellante nog veel beperkingen ervaart, vooral van de schouders en heupen, dat zij fysiek niet veel aan kan en fouten maakt met schrijven. Bij het lichamelijk onderzoek worden geen grote afwijkingen gevonden. Admiraal-Hansman wijst er op dat appellantes rheumatoloog ook geen duidelijk organisch substraat heeft aangetroffen. Bij appellante kan, gezien haar dagelijks functioneren, niet van onbelastbaarheid worden gesproken. Er zijn nog wel beperkingen op sociaal en persoonlijk functioneren. Tevens acht Admiraal-Hansman appellante beperkt wat dynamisch handelen en statische houdingen betreft. Zij acht voorts een urenbeperking noodzakelijk, omdat appellantes psychische spankracht in de loop van de dag vermindert. De beperkingen die Admiraal-Hansman formuleerde vonden uitwerking in de eerder vermelde FML van eveneens 14 januari 2002. De verzekeringsarts Elders heeft in haar rapportage van 24 maart 2003, mede aan de hand van dossieronderzoek en de beschikbare informatie van de behandelend sector, de FML van 14 januari 2002 nog steeds van toepassing geacht. Zij overwoog dat appellante zelf heeft aangegeven dat de medische situatie onveranderd was en dat zij niet meer onder medische behandeling was. Hoewel appellante een normale daginvulling heeft, handhaafde Elders uit preventief oogpunt appellantes urenbeperking van 20 uur per week.

In hoger beroep is van de zijde van appellante verwezen naar de uitvoerige informatie uit de behandelend sector betreffende appellante.

Naar het oordeel van de Raad blijkt uit die informatie weliswaar van opinies van medisch specialisten inzake de door appellante in aanmerking te nemen beperkingen, maar blijkt tevens dat die opinies deels ook, in het bijzonder als het gaat om beperkingen welke in de FML in de rubrieken 1 en 2 zijn opgenomen, betrekking hebben op terreinen van andere specialisten. Nog afgezien van dit laatste zijn de door deze specialisten aangegeven beperkingen naar het oordeel van de Raad overigens ook niet of nauwelijks geobjectiveerd. Zo geeft de rheumatoloog dr. A.E. Voskuyl in zijn brief van

29 augustus 2002 onder vraag 4 bijvoorbeeld aan dat appellante duidelijk beperkt is in knielen en hurken alsook traplopen, hetgeen bij objectief lichamelijk onderzoek aantoonbaar is, maar dat de reden hiervan ondanks uitgebreide onderzoeken in het verleden onduidelijk is. Voorts schrijft de revalidatie-arts prof. dr. G.J. Lankhorst in zijn brief van 4 december 2002 bijvoorbeeld dat de klachten van appellante reëel lijken en dat naar alle waarschijnlijkheid uitbreiding van appellantes activiteiten door het toevoegen van 4 uur werken per dag te veel is.

Het standpunt dat appellante ten aanzien van aandacht en concentratie beperkt is wordt naar het oordeel van de Raad niet bevestigd door de conclusie van het neuropsychologisch rapport van 17 november 2003, welke conclusie luidt dat de prestaties op vrijwel alle testonderdelen binnen het normale bereik vallen en in vergelijking met het neuropsychologisch onderzoek van appellante in september 2002 op sommige onderdelen zelfs zijn verbeterd.

Verder geeft de medewerker medisch maatschappelijk werk revalidatie D. Keurhorst, derhalve geen arts zijnde, in haar brief van 11 september 2002 een aantal gesignaleerde problemen weer die zij echter niet kan objectiveren uit onderzoek.

Daarnaast heeft de cardioloog prof. dr. A.C. van Rossum in zijn brief van 26 juli 2001 medegedeeld dat er zowel anamnestisch als bij aanvullend cardiologisch onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor een cardiale emboliebron. Ten slotte heeft de neuroloog dr. B.M.J. Uitdehaag blijkens zijn brief van 19 juli 2002 bij appellante alleen een lichte vermindering van de fijne motoriek van de rechter hand vastgesteld.

Al met al heeft de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat uit de beschikbare medische informatie valt af te leiden dat de bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar appellantes beperkingen heeft onderschat.

De Raad merkt nog op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding in het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen te bewilligen.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze door het Uwv onjuist is vastgesteld. De Raad merkt in dit verband op dat het door appellante aangevochten aspect knielen of hurken in de geduide functies niet of nauwelijks voorkomt en dat hetzelfde geldt voor het aspect omgaan met conflicten. Daarnaast geldt dat de belastingen in die functies ten aanzien van het aspect tillen of dragen thans, anders dan voorheen, ruim binnen de voor appellante vastgestelde beperkingen vallen.

Gelet op al het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.

TM