Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
05-1075 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007/276
ABkort 2007/348
USZ 2007/224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1075 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 3 januari 2005, 03/1613,

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is door mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 14 februari 2007 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 11 mei 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 5 mei 2003, waarbij is gehandhaafd het besluit van 11 november 2002 tot de weigering van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellante na afloop van de wettelijke wachttijd per 8 november 2002. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante weliswaar wegens overwegend psychische klachten niet in staat is tot het verrichten van haar eigen werk als afwashulp gedurende 17 ½ uur per week, maar met gangbare arbeid een zodanig inkomen kan verwerven dat geen sprake is van inkomenverlies.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe verworpen de beroepsgrond dat de medische beperkingen van appellante in de besluitvorming zijn onderschat. In de, ook voor de toekomst te verwachten, geregelde (jaarlijkse) opnames van appellante op een psychiatrische ziekenhuisafdeling ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat zij zodanig wisselend belastbaar is, dat zij geen benutbare mogelijkheden heeft. Tevens heeft zij appellante niet gevolgd in haar stelling dat de belasting in de haar als geschikt voorgehouden functies haar belastbaarheid overstijgt.

De Raad gaat in zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Appellante is op 9 november 2001 wegens depressieve klachten uitgevallen voor haar werk. Zij is sinds een reeks van jaren onder psychiatrische behandeling in verband met soortgelijke, telkens recidiverende klachten. Appellante wordt door de haar behandelende artsen beschreven als een ik-zwakke, zwakbegaafde vrouw met weinig verweer, die niet in staat is met druk van de omgeving om te gaan. Zij heeft een gegeneraliseerde angststoornis. In een (vrijwel) jaarlijks repeterend patroon zijn enkele weken durende opnames op een psychiatrische ziekenhuisafdeling noodzakelijk. De behandelende psychiater Van Woensel heeft op 18 november 2004 schriftelijk te kennen gegeven “Ik acht haar niet in staat om werkzaamheden voor een werkgever te verrichten. Zij zal ook hier veel uitvallen”.

De Raad overweegt verder het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voor appellante geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen voldoende in kaart zijn gebracht en niet zijn ondergewaardeerd. De adviserende arts heeft forse beperkingen vooral op psychische vlak aangegeven en heeft tevens een duurbeperking (maximaal 20 uur per week,

8 uur per dag) noodzakelijk geacht. Hij heeft zijn oordeel mede gebaseerd op eigen onderzoek en van de behandelende arts verkregen inlichtingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de vastgestelde arbeidsbeperkingen bevestigd.

Uit de door appellante overgelegde medische gegevens blijkt niet dat haar arbeidsbeperkingen zijn onderschat. Weliswaar heeft Van Woensel te kennen gegeven dat zij appellante niet in staat acht tot het verrichten van loonvormende arbeid in dienstbetrekking, maar dat oordeel is kennelijk ingegeven door het verwachte, geregelde ziekteverzuim.

Het hiervoor geschetste, te verwachten toekomstige ziekteverzuim vormt naar het oordeel van de Raad geen reden om aan te nemen dat appellante niet beschikt over een duurzaam verdienvermogen.

De door appellante aangedragen beroepsgrond slaagt evenmin voor zover deze moet worden opgevat als een beroep op het bepaalde in artikel 9, aanhef, en onder e, van het Schattingsbesluit. Naar het oordeel van de Raad vormt het te verwachten toekomstige ziekteverzuim als hiervoor is geschetst niet een omstandigheid die zich met deze bepaling van het Schattingsbesluit niet verdraagt. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat de als geschikt geduide werkzaamheden niet persoonsgebonden zijn en een eenvoudig karakter dragen, zodat bij uitval van appellante haar vervanging niet op bezwaren behoeft te stuiten.

In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om het verzoek van appellante tot de inschakeling van een medisch deskundige te honoreren.

Een afdoende arbeidskundige onderbouwing voor het bestreden besluit heeft het Uwv eerst in hoger beroep gegeven. Dat vormt voor de Raad aanleiding om het bestreden besluit wegens het ontbreken van een voldoende draagkrachtige motivering en daarmee in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te vernietigen. De rechtsgevolgen zal de Raad echter in stand laten. Ook de aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven.

Het Uwv zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van appellante wegens de haar verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding bij de rechtbank en € 322,- voor het geding in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van

5 mei 2003;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 5 mei 2003 in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de gedingkosten ad € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan het appellante het door haar betaalde griffierecht tot een bedrag van € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en R.P.T. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.

JL