Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
04-7336 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om verhoging van de WAO-uitkering na vrijlating uit detentie alleen vast te stellen na een op die dag gericht medisch en arbeidskundig onderzoek.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 47b
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 47b
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 19
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 19
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007/275
ABkort 2007/347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7336 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 november 2004, 03/1566 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. van der Lem, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 16 februari 2005 een rapport van de bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus overgelegd

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft zich op 6 juli 1993 ziek gemeld voor zijn toenmalige werkzaamheden in een varkensslachterij. Na afloop van de wettelijke wachttijd ontving appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke met ingang van 28 juli 1999 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

15 tot 25%. Bij besluit van 3 december 2001 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv deze uitkering met ingang van 1 december 2001 met toepassing van artikel 43, vijfde lid, van de WAO ingetrokken omdat appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen. In een op 4 mei 2002 ondertekend Medisch vragenformulier heeft appellant aangegeven dat hij nog steeds overspannen is, veel problemen heeft en dat zijn situatie dezelfde is. Voorts gaf hij aan dat de klachten sinds 7 jaar erger zijn geworden. Hierop berichtte het Uwv appellant bij brieven van 12 juni en 15 juli 2002 dat zijn op toegenomen arbeidsongeschiktheid gebaseerde aanvraag vanwege zijn detentie niet in behandeling wordt genomen, dat na afloop van de detentie de arbeidsongeschiktheid van appellant door de verzekeringsarts wordt bepaald na ontvangst van een daartoe strekkende aanvraag en dat alsdan ook het verzoek om verhoging van de WAO-uitkering in verband met toegenomen klachten wordt behandeld. Vervolgens vroeg appellant bij een op 23 januari 2003 door het Uwv ontvangen aanvraag weer zijn WAO-uitkering aan in verband met beëindiging van zijn detentie op 17 januari 2003.

Naar aanleiding van deze aanvraag is appellant op 5 maart 2003 onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Brenkman. In het van dit onderzoek opgemaakte rapport van

8 april 2003 gaf Brenkman aan dat appellant al vele jaren bekend is met gedragsproblematiek bij een persoonlijkheidsstoornis, dat appellant in het verleden heeft getoond met zijn persoonlijkheid te kunnen werken en dat deze persoonlijkheid niet verandert. Brenkman concludeerde dat sprake was van een ongewijzigd medisch beeld en dat appellant als voorheen in staat was te functioneren in de eerder geduide functies. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat geen sprake was van een wettelijk heronderzoek maar van een onderzoek inzake heropening van de WAO-uitkering na afloop van detentie, konden, aldus Brenkman, het opstellen van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en het doen van arbeidskundig onderzoek achterwege blijven. Vervolgens deelde het Uwv appellant bij besluit van 12 augustus 2003 mee dat zijn WAO-uitkering met toepassing van artikel 47b van de WAO met ingang van

17 januari 2003 werd heropend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

In de bezwaarprocedure heeft de in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus in zijn rapport van 25 september 2003 geconcludeerd dat er geen objectieve termen zijn om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant ten opzichte van het verleden is afgenomen. Ter hoorzitting van

21 oktober 2003 heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat het onderzoek van Brenkman zich beperkte tot de heropening van de WAO-uitkering na detentie en dat daarbij ten onrechte de claim van toegenomen arbeidsongeschiktheid niet is beoordeeld. Volgens de gemachtigde heeft appellant toegenomen depressieve klachten, spanningshoofdpijn en zitten zijn nek en schouders vast. Slebus heeft na onderzoek van appellant op 30 oktober 2003 in zijn rapport van dezelfde datum aangegeven dat bij röntgenonderzoek geen afwijkingen aan nek en schouders zijn vastgesteld en dat bij het lichamelijk onderzoek geen functiebeperkingen konden worden vastgesteld. Wat betreft de psychische staat van appellant noteerde Slebus dat appellant niet somber was, geen depressieve indruk maakte en dat geen cognitieve defecten waren vast te stellen. Voorts gaf Slebus aan dat appellant in detentie minder klachten had omdat hij daar structuur had met een positief effect op appellant. Volgens Slebus was het in het verleden opgestelde belastbaarheidspatroon, dat hij omzette in een op 30 oktober 2003 gedateerde FML, nog steeds van toepassing en was er, gezien het dagverhaal geen reden volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van

4 november 2003 het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond.

De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 4 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. De rechtbank heeft overwogen dat ingevolge de artikelen 47b, 48, tweede lid, juncto 39a van de WAO bij heropening van de WAO-uitkering na afloop van de detentie slechts plaats is voor een verhoging van de uitkering indien de arbeidsbeperkingen ten gevolge van dezelfde oorzaak tijdens de detentie zijn toegenomen. Uit de in beroep overgelegde informatie van de psychiater dr. L. Timmerman van 20 april 2004, de reactie hierop van Slebus van

12 juli 2004, de informatie van de huisarts van 13 februari 2004 en de brief van de psychiater Prof.dr. A.M.H. van Leeuwen van 4 november 2004 heeft de rechtbank afgeleid dat sprake was van ernstige psychische problematiek bij appellant maar heeft zij geen aanwijzingen gevonden voor een toename van de medische beperkingen van appellant tijdens de detentie. In dit verband vermeldde de rechtbank dat appellant zich op 24 oktober 2003 weer bij zijn huisarts heeft gemeld met psychische klachten waarvoor hij is verwezen en uiteindelijk bij Van Leeuwen in behandeling is gekomen. Nu van toename van de medische beperkingen tijdens detentie niet was gebleken mocht het Uwv, aldus de rechtbank, zonder nader arbeidskundig onderzoek de uitkering met ingang van

17 januari 2003 heropenen en valt een eventuele toename van de arbeidsongeschiktheid na die datum buiten dit geding.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het primaire besluit niet alleen zag op heropening van de WAO-uitkering ingevolge artikel 47b van de WAO maar ook op zijn aanvraag van 4 mei 2002 tot herziening in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Volgens de gemachtigde had het Uwv in verband met artikel 37 van de WAO ook de aanspraak van appellant na afloop van de wachttijd van 52 weken moeten bezien.

In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat om twee redenen geen arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgehad. In de eerste plaats wordt ingevolge artikel 48, tweede lid, van de WAO de heropende WAO-uitkering beschouwd als een voortzetting van de ingetrokken uitkering. In de tweede plaats is bij toetsing aan artikel 39a van de WAO terecht van arbeidskundig onderzoek afgezien omdat de medische beperkingen niet waren toegenomen. In verband met dit laatste heeft het Uwv nog opgemerkt dat in het primaire en het bestreden besluit is verzuimd als grondslag artikel 39a van de WAO te vermelden, hetgeen het Uwv als een kennelijk misslag ziet en deze hierbij wenst te herstellen. Volgens het Uwv heeft Brenkman in zijn rapport van 8 april 2003 dit artikel wel getoetst en heeft de rechtbank dit ook als zodanig opgevat.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat in artikel 47b, eerste lid, van de WAO is bepaald dat de persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43, vijfde lid, van de WAO is ingetrokken, vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van deze wet aanspraak op heropening van deze uitkering heeft, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Volgens het derde lid van artikel 47b is onder andere artikel 19, vierde lid, van de WAO van overeenkomstige toepassing. Laatstgenoemd artikellid houdt in dat voor de toepassing van de vorige leden van artikel 19 niet als arbeidsongeschikt wordt beschouwd degene, die minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Uit de op zich duidelijke bewoordingen van artikel 47b, eerste lid, bezien in verband met het derde lid en voornoemd artikel 19, vierde lid, kan de Raad niet anders afleiden dan dat alleen aanspraak op heropening bestaat indien de betrokkene op de dag van vrijlating uit detentie arbeidsongeschikt is. Het bepaalde in artikel 48, tweede lid, van de WAO maakt dit naar het oordeel van de Raad niet anders. Gelet op artikel 18 van de WAO valt die arbeidsongeschiktheid, behoudens de zich in dit geval niet voordoende uitzonderingen, als vermeld in artikel 2, tweede lid, van het geldende Schattingsbesluit, alleen vast te stellen na een op die dag gericht medisch en arbeidskundig onderzoek.

Het bestreden besluit dient dan ook in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 47b, eerste en derde lid, van de WAO in verbinding met artikel 19, vierde lid, van de WAO, alsmede de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad acht echter termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit geheel in stand te laten. De Raad overweegt daartoe dat, voorzover het bij de voorbereiding van het bestreden besluit verricht arbeidskundig onderzoek zou hebben uitgewezen dat op de dag van de heropening van de WAO-uitkering van appellant de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn geweest, daaraan bij het bestreden besluit voor die dag geen gevolgen verbonden hadden kunnen worden. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad staat artikel 7:11 van de Awb er in een situatie als deze immers aan in de weg dat betrokkene als gevolg van het maken van bezwaar in een slechtere positie komt te verkeren als de positie waarin hij verkeerde zonder aanwending van evenbedoeld rechtsmiddel.

Voorts merkt de Raad op dat op het verzoek om beoordeling op grond van artikel 37 van de WAO van een eventuele toename van arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden nog niet is beslist door het Uwv. Een dergelijke beoordeling dient alsnog plaats te vinden en valt daarom buiten de omvang van het onderhavige geding.

Voorzover het bestreden besluit mede een beoordeling als bedoeld in artikel 39a van de WAO inhoudt, hetgeen de Raad met de rechtbank, gezien de door Slebus verrichte beoordeling, aanneemt, moet worden geoordeeld dat van een toename van de medische beperkingen van appellant op de dag van heropening van zijn WAO-uitkering in verband met dezelfde oorzaak als waarvoor destijds uitkering was toegekend, geen sprake was. In zoverre slaagt het hoger beroep derhalve niet.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede op € 8,50 aan reiskosten in eerste aanleg en op € 21,40 aan reiskosten in hoger beroep. Voorts komt van de nota van Timmerman van 20 april 2004 voor vergoeding in aanmerking op basis van 3 uur bestede tijd een bedrag van € 243,69. Verder worden in aanmerking genomen de nota’s voor het opvragen van informatie bij de huisarts ten bedrage van € 93,53 en bij de internist ten bedrage van € 41,80. De proceskosten bedragen derhalve in totaal € 1.696,92.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en – met gegrondverklaring van het beroep – het bestreden besluit, voorzover deze betrekking hebben op de heropening van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 17 januari 2003;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.696,92,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.

(get) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.

JL