Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
05/4473 WAO, 05/4474 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering en ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4473 WAO, 05/4474 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

appellante (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 juni 2005, 04/1626 en 04/1658 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Besluit 1, 05/4473 WAO

Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van het Uwv van 18 mei 2004 (hierna: besluit 1), waarbij het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 december 2003 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen na 27 november 2003.

Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de in beroep aangevoerde gronden en de in bezwaar en beroep overgelegde medische stukken, en zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank die medische informatie zonder nadere motivering aan de kant heeft geschoven. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat een zorgvuldig en volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Bij de vaststelling van de belastbaarheid is rekening gehouden met de door appellante geuite klachten van lichamelijke en psychische aard. De verzekeringsarts heeft kennis genomen van de uitslag van een in Spanje in juli 2003 verricht MRI-onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts is bij de heroverweging ingegaan op alle bezwaren van appellante en heeft kennis genomen van een door appellante overgelegd rapport van de behandelend chiropractor alsmede van door de bezwaarverzekeringsarts opgevraagde inlichtingen van de behandelend maatschappelijk werkster. In de beroepsfase is de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 20 april 2005 ingegaan op de beroepsgronden en heeft tevens gemotiveerd waarom de in beroep overgelegde verklaringen van de psychiater en de anesthesioloog van appellante niet tot een bijstelling van de belastbaarheid kunnen leiden. Met de beperkingen en klachten van appellante op de datum in geding alsmede met de inlichtingen van behandelaars van appellante zoals die in geding zijn gebracht, is naar het oordeel van de Raad voldoende rekening gehouden. De Raad acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding een deskundige te raadplegen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat de belastbaarheid van appellante niet correct is vastgesteld. Met inachtneming van die belastbaarheid moet appellante, mede gelet op de in beroep en hoger beroep nog overgelegde nadere motiveringen van de bezwaararbeidsdeskundige, in staat worden geacht de voor haar geselecteerde functies te verrichten. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 1 in stand zijn gelaten.

Besluit 2, 05/4474 ZW

Bij besluit van 22 maart 2004 heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, appellante bericht dat zij met ingang van 17 maart 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat zij toen niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid, zijnde de haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies. Bij besluit van 18 mei 2004 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 maart 2004 ongegrond verklaard.

Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep van appellante tegen besluit 2. Appellante heeft in hoger beroep geen andere gronden aangevoerd dan in beroep. De Raad ziet ook hier geen aanleiding het verzoek van appellante een deskundige in te schakelen te honoreren. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en het oordeel waartoe deze de rechtbank hebben geleid. Aan besluit 2 ligt een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag, dat op voldoende zorgvuldige wijze door de bezwaarverzekeringsarts is heroverwogen en nog nader is toegelicht naar aanleiding van het beroep. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 2 terecht ongegrond verklaard. Ook in zoverre komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van besluit 1 in stand zijn gelaten en het beroep tegen besluit 2 ongegrond is verklaard.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) M. Gunter.