Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
06/3098 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om bijzondere bijstand voor kosten getuigenverhoor op Curaçao terecht afgewezen. Territorialiteitsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3098 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 1 mei 2006, 06/1837 en 06/1841 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.L. Keijzers, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2007. Zoals aangekondigd, is appellante niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

Op 3 januari 2006 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van getuigenverhoor op Curaçao in het kader van een bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch lopende hoger beroepsprocedure ter zake van gevorderde alimentatie.

Het College heeft die aanvraag bij besluit van 5 januari 2006 afgewezen. Bij besluit van 30 maart 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 januari 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2006 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Daartoe heeft deze rechter onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 24 januari 2006 (LJN AV0685), waarbij de ex-echtgenoot van appellante partij was, overwogen dat het College terecht het standpunt heeft ingenomen dat het territorialiteitsbeginsel, als neergelegd in artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), eraan in de weg staat bijzondere bijstand te verlenen voor de in geding zijnde kosten, die weliswaar voortvloeien uit een in Nederland gevoerd civielrechtelijk geding, maar die in het buitenland zijn gemaakt. Daarbij is van belang dat deze kosten werkzaamheden betreffen, die naar hun aard niet in Nederland, maar uitsluitend daarbuiten, namelijk op Curaçao kunnen worden verricht.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij haar beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad ziet geen grond om tot een ander oordeel dan de voorzieningenrechter van de rechtbank te komen en onderschrijft de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid. De stelling van appellante dat het territorialiteitsbeginsel niet aan bijstandsverlening in de weg staat omdat Curaçao deel uitmaakt van de Nederlandse Antillen en daarmee behoort tot het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden kan de Raad niet volgen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat onder “hier te lande” in artikel 11, eerste lid, van de WWB slechts het grondgebied van Nederland wordt verstaan en dat Curaçao in dit verband als buitenland wordt beschouwd.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad geen zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, zodat het College niet bevoegd was aan appellante ter zake bijzondere bijstand te verlenen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.