Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8074

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
04/2286 WAO + 06/3062 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering, verlaging en terugvordering. Intrekking WAO-uitkering. Niet gerealiseerde toekomstverwachtingen. Maatgevend inkomen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/346
USZ 2007/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2286 en 06/3062 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2004,

03/1926 (uitspraak A), en 14 april 2006, 05/3291 (uitspraak B),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraak A. Deze zaak is bij de Raad geregistreerd onder nummer 04/2286. Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen uitspraak B door mr. A.J.C. van Bemmel, advocaat te Rotterdam. Deze zaak is ter griffie ingeschreven onder nummer 06/3062.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

De zaak 04/2286 is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juni 2006. De behandeling is geschorst om partijen de gelegenheid te bieden tot nader overleg en, zonodig, met het oog op de gevoegde behandeling van beide zaken.

Het Uwv heeft op 2 oktober 2006 een nieuwe beslissing genomen en daarvan een afschrift ingezonden.

Het (voortgezette) onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. De zaken zijn daar gevoegd behandeld. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten.

Appellante, geboren op 14 maart 1972, is op 1 januari 1997 als consultant voor 40 uren per week in dienst getreden van TAS ISMS Consultancy B.V. tegen een basissalaris van fl. 5.000,- per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. In die functie werd haar door haar werkgeefster een leaseauto ter beschikking gesteld.

Medio 1998 is appellante kort achtereen twee maal slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Hierbij is nekletsel ontstaan en dientengevolge ondervindt appellante (blijvende) arbeidsbeperkingen. Met ingang van 6 juli 1999 is aan appellante een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

Vanaf mei 1999 heeft appellante haar werk part-time hervat. Uiteindelijk heeft zij haar werkzaamheden hervat op basis van een arbeidsovereenkomst voor 24 uren per week. Feitelijk heeft appellante 16 uren per week gewerkt, haar werkgeefster heeft haar een salaris betaald op basis van een 24-urige werkweek. Per 1 januari 2002 is het bedrijf overgenomen door Pink Roccade. Het maandsalaris van appellante bedraagt sinds september 2002 € 1971,60, exclusief 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van 8,33%. Ook in haar part-time functie heeft haar werkgeefster appellante een leaseauto ter beschikking gesteld.

De WAO-uitkering van appellante werd laatstelijk berekend naar een mate arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

Bij besluit van 18 december 2002 heeft het Uwv onder toepassing van artikel 44 van de WAO de arbeidsinkomsten van appellante gekort door de betaling van haar WAO-uitkering per 1 januari 2002 te verlagen overeenkomstig een mate arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Bij besluit van 14 januari 2003 heeft het Uwv de over 2002 aldus te veel betaalde WAO-uitkering tot een bedrag van € 2.691,80 teruggevorderd. De hiertegen gerichte bezwaren zijn bij besluit van 19 mei 2003 (besluit A) ongegrond verklaard.

Het beroep tegen besluit A is door de rechtbank bij uitspraak A ongegrond verklaard. Met zijn besluit van 2 oktober 2006 heeft het Uwv de besluiten van 18 december 2002 en

14 januari 2003 alsnog herroepen door de betaling van de WAO-uitkering van appellante over 2002 te verlagen overeenkomstig een arbeidsongeschiktheid van 25-35% en de verlaging van het terugvorderingsbedrag tot € 1.752,56.

Bij besluit van 26 januari 2005 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 18 maart 2005 beëindigd. Hieraan ligt ten grondslag dat de arbeidsongeschiktheid van appellante op die datum tot minder dan 15% zou zijn gedaald. Deze conclusie is gebaseerd op een vergelijking tussen het (geïndexeerde) loon dat appellante vóór haar uitval als fulltime consultant verdiende (€ 17,89 per uur) en haar huidige verdiensten als part-time consultant (€ 27,01 per uur). Het loonverlies bedraagt aldus, rekening houdend met een reductiefactor van 24/40e, ongeveer 9%.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 januari 2005 is bij besluit van

23 juni 2005 (besluit B) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep bij uitspraak B ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Het besluit van 2 oktober 2006 vormt een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het inleidende beroep tegen besluit A wordt geacht zich hiertegen mede te richten.

Appellante heeft haar belang bij een afzonderlijke beoordeling van haar hoger beroep tegen uitspraak A behouden, nu zij heeft gevraagd om het Uwv te veroordelen tot de betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over het door haar te veel terugbetaalde terugvorderingsbedrag.

Appellante heeft onder meer aangevoerd dat het Uwv in haar besluitvorming ten onrechte is uitgegaan van haar oorspronkelijke verdiensten als fulltime consultant. Zij heeft betoogd dat sprake is van een maatvrouwwisseling doordat zij indertijd is uitgevallen als (fulltime) junior consultant en zich inmiddels heeft ontwikkeld tot een (zij het als gevolg van haar beperkingen noodgedwongen part-time werkzame) volwaardig consultant.

Op die stelling is van de zijde van het Uwv in het arbeidskundige rapport van 21 juli 2004 als volgt gereageerd:

“Om vast te stellen hoe een en ander gezien moet worden is er met de werkgever overleg geweest op 21 juli 2004. (..) Uit info blijkt men bij een bedrijf als Pink altijd de consultant eerst als junior te laten starten, daarbij wordt bij het aanname beleid echter wel geworven op kandidaten met de potentie om door te groeien naar consultant, feitelijk zijn er ook alleen consultants in dienst. Alleen bij de start komt men in een lagere beloningsschaal terecht. Men groeit echter bij normaal functioneren gewoon door en er zijn eigenlijk geen medewerkers die blijven hangen op de junior functie. Als men normaal/voldoende/goed blijft presteren is er periodiek sprake van herziening van een salaris, waarbij men aanvangt in een lagere schaal en doorgroeit. In belanghebbende haar geval: eerst schaal E, daarna doorgroeien naar schaal F (juli 2002). Dat men daarvoor ook verdere studie moet volgen is inherent aan de functie, net als bij al dit soort functies (..).

Verschil tussen beide functies inhoudelijk is formeel niet aanwezig. Voor de junior is er geen andere beschrijving dan voor de normale consultant. Verschil zit hem meer in de eindverantwoordelijkheid en in de zwaarte van de projekten. Daarnaast kan een consultant een begeleider zijn van een junior. Dat is verder afhankelijk van het type projekt. Andere beloningen, zoals een duurdere auto of een hogere bonus zou niet aan de orde zijn.

Gelet op het bovenstaande acht ik het wisselen van de maatvrouw niet aan de orde en overweeg daarbij het volgende:

Bij de overgang van schaal E naar F (..) wordt uitsluitend gesproken over een wijziging van schaal, niet naar een andere functie;

Bij aanname gaat men er vanuit dat men als consultant zal gaan werken;

Het volgen van opleidingen om tot goed functioneren te komen is inherent aan de functie;

Er is geen sprake van bijzondere bekwaamheden die belanghebbende in een nieuwe functie doet plaatsen.”

In dit betoog kan de Raad het Uwv niet volgen en hij overweegt daartoe het volgende.

In artikel 18 van de WAO is bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt afgemeten aan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring verdienen. Dit wordt de maatman/vrouw genoemd. Doorgaans zal hiervoor kunnen worden teruggegrepen op de arbeid die de verzekerde voor het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid heeft verricht. De verzekerde is als het ware de maatman van zich zelf. Van dat uitgangspunt moet worden afgeweken als de laatstelijk verrichte arbeid c.q. het daarmee verdiende inkomen niet (langer) de juiste bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in acht te nemen maatstaf vertegenwoordigt. Daarbij tekent de Raad wel aan dat artikel 7 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten aan actualisering van het eenmaal vastgestelde maatmaninkomen aan de hand van de feitelijke ontwikkelingen in het inkomen in de weg staat.

In dit verband is van belang het leerstuk van de zogeheten "niet gerealiseerde toekomstverwachting". Dit leerstuk ziet, naar door de Raad in zijn uitspraak van

28-01-2005, RSV 2005, 144 uiteengezet, op de situatie waarin met een redelijke mate van zekerheid ervan mag worden uitgegaan dat appellante, als zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, een andere functie dan de beklede functie zou zijn gaan bekleden of een ander loon dan het genoten loon ten tijde van de uitval zou zijn gaan genieten. Indien een dergelijke, in voldoende mate vaststaande, functiewisseling, functiewijziging of loonsverhoging als gevolg van het intreden van de arbeidsongeschiktheid geen doorgang heeft gevonden, kan er in die gevallen aanleiding zijn om voor de bepaling van de maatgevende functie of het maatgevende loon ervan uit te gaan dat die functiewisseling, functiewijziging of loonsverhoging wel heeft plaatsgevonden.

De Raad is van oordeel dat met een redelijke mate van zekerheid ervan uit mag worden gegaan dat appellante, als zij niet tijdens haar werkzaamheden als junior consultant was uitgevallen, werkzaam zou zijn geweest als voltijds werkzame consultant.

De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant na het intreden van haar arbeidsongeschiktheid en ondanks de bij haar bestaande medische beperkingen werkzaam is op het niveau van een consultant. Daarmee is gegeven dat de voor de intrede van de arbeidsongeschiktheid bestaande verwachting dat appellante zou doorgroeien naar dit niveau bewaarheid is geworden. De omstandigheid dat appellante de functie van consultant niet voltijds uitoefent is een gevolg van de bij haar bestaande medische beperking en behoort derhalve tot het door de WAO verzekerde risico.

Naar aanleiding van hetgeen het Uwv in hoger beroep verder heeft aangevoerd overweegt de Raad dat de loonontwikkeling als gevolg van de doorgroei naar de functie van consultant een andere loonontwikkeling is dan de loonsverhoging die is verbonden aan de duur van het vroegere dienstverband, zoals dat het geval is bij periodieke loonsverhogingen volgens de salarisschaal waarin appellante was ingedeeld. Niet alleen onderscheidt de functie van junior consultant zich van die van consultant in de verrichte werkzaamheden en verantwoordelijkheden, ook worden beide functies naar verschillende salarisschalen beloond. Dat bij het selectiebeleid de werkgever er op is gericht om junior consultants te werven, die over doorgroeipotentieel beschikken doet hieraan niet af.

Dit alles betekent dat aan de bestreden besluiten telkens een verkeerd maatgevend inkomen ten grondslag is gelegd. De aangevallen uitspraken, waarbij deze besluiten in stand zijn gelaten, komen voor vernietiging in aanmerking.

Het Uwv zal worden opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van appellante. Onder die omstandigheden kan door de Raad niet worden vastgesteld in welke mate appellante schade heeft geleden en kan hij daar thans niet over beslissen. Het Uwv zal in de nadere besluiten mede hierover moeten beslissen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van de gedingen, aan de zijde van appellante wegens de haar verleende rechtsbijstand begroot op € 1288,- voor de gedingen in eerste aanleg en € 322,- voor het hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de inleidende beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 19 mei 2003,

2 oktober 2006 en 23 juni 2005;

Bepaalt dat het Uwv, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, nieuwe besluiten neemt op de beide door appellante ingediende bezwaarschriften;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot de betaling van de gedingkosten ad € 1.610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 276,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.