Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
04/1731 WAO + 07/925 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Bij nader besluit toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Beoordeling medische grondslag door rechter die niet tevens arts is?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1731 WAO en 07/925 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

M[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2004, 03/810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge. advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. De Jonge. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. G.G. Prijor. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De zaak is opnieuw behandeld ter zitting van 27 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. De Jonge. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, als productiemedewerker werkzaam via Uitzendbureau Adecco bij de Melkunie/Campina, is op 23 augustus 2001 uitgevallen met polsklachten. De verzekeringsarts S. Lachman heeft appellant op 9 juli 2002 onderzocht. Op basis van de anamnese, het dagverhaal, het lichamelijk onderzoek en de informatie van de orthopedisch chirurg R.J. de Raadt heeft deze verzekeringsarts de diagnose “chondropathie van de polsgewrichten, mogelijk posttraumatisch” gesteld. Hij was van mening dat appellant over voldoende functionele mogelijkheden beschikte met beperkingen ten aanzien van zware belasting van de polsen en langdurig lopen (in verband met de klachten aan de linker achillespees), waarbij zwaar tillen door de klachten van de polsen automatisch beperkt werd geacht. De verzekeringsarts heeft de vastgestelde beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

Uitgaande van deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige J. Welling na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd en daarvan drie aan de schatting ten grondslag gelegd. De functies met mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant zijn met de verzekeringsarts besproken en geschikt bevonden. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per einde wachttijd vastgesteld op minder dan 15%.

In overeenstemming daarmee is aan appellant bij besluit van 10 september 2002 medegedeeld dat hij per 22 augustus 2002 geen aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Namens appellant is tegen dat besluit bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is een rapport van 11 november 2002, inhoudende een zogeheten blanco diagnosestelling, overgelegd van de directrice van Instituut Psychosofia (IP) alsmede een samenvatting van een medisch rapport, gedateerd 1 augustus 2002, van de traumatisch en orthopedisch chirurg Belgaroui Fathi.

De bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink heeft in zijn rapportage van 12 februari 2003 geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om van het primaire medische oordeel af te wijken.

Bij besluit van 20 februari 2003 is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant een aanvullende rapportage van mevrouw Verhage, directrice van IP, gedateerd 4 november 2003, alsmede een rapport van orthopedisch chirurg

O. Schreuder d.d. 2 november 2003 ingediend, waarop de bezwaarverzekeringsarts Weegink op 2 december 2003 heeft gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 februari 2003 ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis gehecht aan de door de (bezwaar)verzekeringsartsen uitgebrachte rapportages.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn aanspraken bij de aangevallen uitspraak niet naar behoren zijn erkend. Ter ondersteuning van dat standpunt is door appellant een tweetal reacties op de aangevallen uitspraak ingediend, van mevrouw Verhage d.d. 8 april 2004 respectievelijk de orthopedisch chirurg Schreuder d.d.

17 april 2004.

Vervolgens heeft op 3 november 2006 het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van de zitting is het onderzoek ter zitting geschorst ten einde appellant in de gelegenheid te stellen de brief van orthopedisch chirurg dr. S.G. Blendea van

2 september 2003, bedoeld in het rapport van orthopedisch chirurg Schreuder van

2 november 2003, in het geding te brengen.

Bij schrijven van 15 januari 2007 is van deze gelegenheid gebruik gemaakt, waarna het Uwv bij schrijven van 7 februari 2007 een rapportage van bezwaarverzekeringsarts Weegink d.d. 26 januari 2007 heeft ingezonden.

Bij besluit van 7 februari 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van

10 september 2002 wegens onjuiste vaststelling van het maatmaninkomen en het dagloon alsnog gegrond verklaard. Besloten is appellant per 22 augustus 2002 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Appellant heeft vervolgens bij schrijven van 22 maart 2007 een aanvullend rapport van mevrouw Verhage, d.d. 13 maart 2007, in het geding gebracht. Een afschrift van de reactie van de bezwaarverzekeringsarts Weegink, d.d. 3 april 2007, is door het Uwv op 4 april 2007 ingezonden.

Aangezien het Uwv bij het nieuwe besluit van 7 februari 2007 niet (volledig) aan het door appellant ingestelde hoger beroep is tegemoet gekomen, moet dat hoger beroep geacht worden mede te zijn gericht tegen dat nieuwe besluit en zal de Raad een oordeel geven over dat besluit. Bij vernietiging van de aangevallen uitspraak heeft appellant geen in rechte te beschermen belang meer, nu de door hem in hoger beroep ingebrachte grieven alle ten volle aan de orde kunnen en zullen komen bij de beoordeling van dat besluit en er geen verzoek om vergoeding van schade voorligt. Zoals besproken ter zitting van

27 april 2007 zal het Uwv, zoals te doen gebruikelijk in dit soort gevallen, de geleden renteschade aan appellant vergoeden. Appellant zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

Met betrekking tot hetgeen door appellant is aangevoerd over de beoordeling van de medische grondslag van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door rechters die niet tevens (BIG-geregistreerd) arts zijn, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 juli 2005, LJN: AT9828.

Ten aanzien van de waarde en de kracht van rapporten van IP wijst de Raad op zijn eerder genoemde uitspraak van 13 juli 2005.

Uit de rapporten van IP is de Raad niet gebleken dat de door de (bezwaar-) verzekeringsartsen opgestelde rapportages op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen inconsistent, niet concludent of anderszins gebrekkig zijn. Voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan door deze arts aangegeven is op basis van hetgeen van de zijde van IP is gesteld mitsdien geen plaats.

Met betrekking tot de brief van 2 september 2003 van de orthopedisch chirurg Blendea overweegt de Raad als volgt. In deze brief schrijft Blendea aan de huisarts van appellant, dat hij bij onderzoek geen duidelijke afwijkingen aan de rechterpols heeft vastgesteld, wel drukpijn op het distale radio-ulnaire gewricht met name aan de ulnaire zijde, terwijl de (op 14 augustus 2003) gemaakte MRI mogelijk een TFCC-letsel toont. Anders dan in het rapport van 2 november 2003 door orthopedisch chirurg Schreuder is gesteld, kan de Raad in de brief van Blendea niet lezen dat de MRI heeft uitgewezen dat bij appellant (zeker) sprake is van letsel. Naar het oordeel van de Raad geeft ook deze informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen over de beperkingen van appellant per 22 augustus 2002. De Raad wijst in dit verband nog op het commentaar van bezwaarverzekeringsarts Weegink van 3 april 2007.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de door appellant ingediende gronden niet slagen en het besluit op bezwaar van 7 februari 2007 in rechte standhoudt.

Er bestaat aanleiding op om grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de door appellant in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 966,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 7 februari 2007 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.610,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 133,= aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.