Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
05-6881 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Toereikende motivering in beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6881 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 oktober 2005, 05/48 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 april 2007 heeft het Uwv nadere arbeidskundige stukken ingezonden.

Bij brief van 8 mei 2007 heeft ook appellante nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is medio 1993 wegens pijnklachten, vermoeidheidsklachten en spanningsklachten uitgevallen voor haar in een omvang van 32 uur per week verrichte werkzaamheden als administratief medewerkster. Per 14 juni 1994 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge onder meer de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 6 december 2004, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 5 juli 2004 tot herziening van appellantes WAO-uitkering met ingang van 24 augustus 2004 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De rechtbank heeft geen reden gezien om de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat de bezwaarverzekeringsarts ook informatie heeft ingewonnen bij de behandelend neuroloog en huisarts van appellante, uit welke informatie niet blijkt van belangrijke objectiveerbare afwijkingen. Desondanks is, aldus de rechtbank, in het belastbaarheidspatroon rekening gehouden met beperkingen.

Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de functies zoals deze - uiteindelijk - als grondslag voor de schatting in aanmerking zijn genomen, zowel wat betreft de daarin gestelde opleidingseisen als wat betreft de daaraan verbonden belastende aspecten. De rechtbank heeft daarbij gelet op de nadere motivering van de passendheid van de functies, zoals verstrekt door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv bij rapport van 3 februari 2005.

Nu een toereikende motivering van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit evenwel eerst in de fase van het beroep is gegeven, heeft de rechtbank onder verwijzing naar uitspraken van de Raad van 9 november 2004, onder meer de uitspraak met LJnummer AR4719, aanleiding gevonden het bestreden besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen ervan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in stand te laten.

Het hoger beroep van appellante moet worden geacht uitsluitend te zijn gericht tegen het in stand laten door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit.

Appellante heeft in hoger beroep in de eerste plaats haar bezwaren gehandhaafd inzake de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij acht het bezwaarlijk dat de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv wel worden geloofd en haar eigen informatie en die van haar huisarts niet. Dat er, ook door haar neuroloog, geen duidelijke oorzaak is gevonden voor haar - aan fybromyalgie toegeschreven - persisterende pijnklachten, acht appellante geen deugdelijke reden om aan die pijnklachten voorbij te zien. Appellante heeft, gespecificeerd per belastbaarheidsaspect, aangegeven dat voor haar aanzienlijk zwaardere beperkingen gelden dan de beperkingen die de verzekeringsartsen hebben aangenomen.

De Raad kan appellante in navolging van de rechtbank in deze opvatting niet volgen.

In vaste rechtspraak heeft de Raad blijk gegeven van de opvatting dat het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip aldus dient te worden uitgelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens, zowel die van de verzekeringsartsen als die van de behandelend artsen, in ogenschouw nemend, is de Raad van oordeel dat bij appellante geen lichamelijke en/of psychische aandoening is aangetoond op grond waarvan, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf als hiervoor weergegeven, zou dienen te worden aangenomen dat ten aanzien van haar op en na

24 augustus 2004 sprake is van meer en/of andere op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid dan de beperkingen die reeds door de verzekeringsartsen van het Uwv in aanmerking zijn genomen.

Zoals ook door de rechtbank is overwogen, hebben de verzekeringsartsen, ondanks dat op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder gegevens van de behandelend neuroloog van appellante, geen duidelijke oorzaak aanwijsbaar was voor haar klachten, deze deels plausibel geacht en gehonoreerd. Voor het aannemen van meer of andere beperkingen ontbreken toereikende objectief-medische aanknopingspunten.

Zulke aanknopingspunten heeft de Raad ook niet aangetroffen in de verklaringen van de huisarts waarnaar appellante, ook weer in hoger beroep, verwijst. De Raad heeft daarbij laten wegen dat de opvatting van die arts, zoals vervat in de verklaring van 22 oktober 2004, dat appellante totaal niet belastbaar is met arbeid, niet is onderbouwd aan de hand van onderzoeksbevindingen. De Raad houdt het er dan ook voor dat de opvatting van de huisarts in overwegende mate is gestoeld op de door appellante subjectief aangegeven klachten.

Voor zover uit de verklaringen van de huisarts, met name die van 28 februari 2005, zou moeten worden afgeleid dat na de in dit geding ter beoordeling voorliggende datum sprake is van een toename van klachten, merkt de Raad op dat die toename in dit geding buiten beschouwing dient te blijven. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat inmiddels de uitkering van appellante met ingang van 17 februari 2005 weer is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Ook de door appellante bij schrijven van 8 mei 2007 in het geding gebrachte stukken kunnen niet dienen ter onderbouwing van de opvatting dat haar beperkingen zijn onderschat, nu het daarbij niet gaat om van een arts afkomstige gegevens.

De Raad concludeert dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is te achten. Daarvan uitgaande staat voor de Raad tevens genoegzaam vast dat de als schattingsgrondslag dienende functies passend zijn voor appellante. De Raad heeft daarbij nog mede gelet op de nadere toelichting die is verstrekt door de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 19 april 2007.

Naar aanleiding van hetgeen dienaangaande door appellante is aangevoerd, overweegt de Raad nog dat met de in beroep en hoger beroep verstrekte nadere arbeidskundige onderbouwing in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de eerder door de Raad verwoorde kritiek op het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem waarop appellante doelt. Anders dan appellante heeft aangevoerd, blijkt uit de beschikbare arbeidskundige gegevens voorts dat de schatting berust op een voldoende aantal functies met voldoende arbeidsplaatsen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.