Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
05-5833 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Deugdelijke onderbouwing eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5833 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 september 2005, 05/976 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld en de gronden nader aangevuld bij brief van

11 mei 2007 (inclusief medische informatie).

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft, in aanvulling daarop, een medische en arbeidskundige rapportage ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007, waar appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door M. de Bluts.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het Uwv terecht en op goede gronden een uitkering aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 18 juni 2004 heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van 10 januari 2005 ten grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de door de bezwaarverzekeringsarts J.D. van de Nieuwe Giessen ten aanzien van hem vastgestelde beperkingen, per 18 juni 2004 in staat was met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit ongeveer 60% bedraagt.

In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen ten aanzien van het gebruik van zijn rechterhand, de dystrofie waardoor hij pijnklachten in zijn hand is blijven houden en de astma-klachten. Ter ondersteuning is informatie overgelegd van de behandelend orthopedisch chirurg

A. van der Ent. Voorts is aangevoerd dat appellant niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen, omdat bij de selectie daarvan van de vooronderstelling is uitgegaan dat hij twee goed functionerende handen heeft.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. De Raad stelt vast dat de primaire verzekeringsarts N.L. van Luntesburg appellant ten aanzien van het hand- en vingergebruik, aspect 4.3 van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), in zoverre beperkt heeft geacht dat sprake is van een a-functionele pink aan de rechterhand; met de andere vingers is normaal gebruik van de hand in dagelijks functioneren mogelijk, maar een krachtige bol- of cylindergreep is minder goed mogelijk door het missen van de ringvinger. Daarnaast heeft de verzekeringsarts diverse andere beperkingen aangenomen in verband met appellants problemen met betrekking tot zijn rechterhand. In bezwaar is appellant opnieuw onderzocht en heeft de bezwaarverzekeringarts

Van de Nieuwe Giessen, na het meewegen van informatie uit de behandelende sector, aanleiding gevonden de FML aan te scherpen op de aspecten: schrijven, frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk en klimmen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en weloverwogen geweest en is in de FML in voldoende mate rekening gehouden met alle klachten van appellant. De overgelegde informatie van orthopedisch chirurg A. van der Ent maakt dit niet anders, nu naar het oordeel van de Raad de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer op deze informatie afdoende heeft gereageerd, alsook de overige grieven van appellant voldoende heeft weerlegd. Gezien het vorenstaande concludeert de Raad dat de voor appellant aangenomen beperkingen op een voldoende daadkrachtige motivering berusten.

Voor wat betreft het arbeidskundige gedeelte van de schatting, stelt de Raad vast dat een deugdelijke toelichting en motivering waarom de geselecteerde functies passend zijn geacht voor appellant, in hoger beroep is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige C.G. Litjens. Naar het oordeel van de Raad is in deze rapportage van genoemde bezwaararbeidsdeskundige voldoende rekening gehouden met alle zich in toelichtingen voordoende beperkingen en is voorts wat betreft de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geselecteerde functies uiteindelijk voldoende toegelicht waarom de betreffende functies toch als voor appellant passend kunnen worden aangemerkt.

De Raad concludeert op basis van het hiervoor overwogene dat, nu eerst in hoger beroep het bestreden besluit is voorzien van een deugdelijke onderbouwing, het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden ter zake van aan appellant verleende rechtsbijstand begroot op € 644,-- in beroep, en eveneens op € 644,-- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.