Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
05-5395 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5395 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 juli 2005, 04/1895 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H. Drenth, kantoorgenoot van mr. De Leon, voornoemd. De zoon van appellant, I. el Boujadaini, heeft als tolk gefungeerd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in november 1997 wegens rugklachten uitgevallen als magazijnmedewerker. Vanaf 2 november 1998 is hem in verband hiermee een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 3 juni 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 3 februari 2003 tot intrekking van appellants uitkering met ingang van 19 februari 2003.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts als onzorgvuldig of onjuist aan te merken. Behalve de resultaten van de eigen medische bevindingen, is ook informatie van de behandelend sector in de oordeelsvorming betrokken. Er waren aldus voldoende medische gegevens voorhanden om tot een afgewogen oordeel te komen, waarbij niet is kunnen blijken dat relevante informatie is gemist. Het eigen standpunt van appellant dat zijn beperkingen te licht zijn ingeschat, vindt volgens de rechtbank onvoldoende steun in de voorhanden medische gegevens. Ook op basis van de rapportage van de medisch adviseur J.F.G.Wolthuis - die appellant niet zelf heeft onderzocht - kan volgens de rechtbank niet worden geoordeeld dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld.

Uit de beschikbare medische gegevens blijkt dat er naast de aangetoonde wervelkolomafwijkingen geen duidelijke objectiveerbare functiebeperkingen kunnen worden vastgesteld ter verklaring van de ernst van de klachten van appellant. Derhalve kan de rechtbank niet anders vaststellen dan dat, indien het standpunt van appellant - dat hij op grond van zijn pijnklachten volledig arbeidsongeschikt is te achten - zou worden gevolgd, een onvoldoende geobjectiveerde en mitsdien onjuiste uitleg zou worden gegeven aan het begrip arbeidsongeschiktheid. Ook het eigen standpunt van appellant dat ten onrechte geen duurbeperking is aangenomen, vindt volgens de rechtbank onvoldoende steun in de medische gegevens.

Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de bij de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies. Van de zijde van het Uwv is, aldus de rechtbank, voldoende toegelicht dat de in die functies voorkomende belasting in overeenstemming is met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid.

Ten slotte heeft de rechtbank, in reactie op hetgeen dienaangaande van de zijde van appellant was aangevoerd, overwogen dat noch in de tekst noch in het systeem van de WAO enig aanknopingspunt kan worden gevonden voor de stelling dat herziening van een eenmaal toegekende uitkering slechts kan geschieden bij relevante wijziging in het medisch en/of arbeidskundig toestandsbeeld dat bij de toekenning in aanmerking is genomen. Wel zal dienen vast te staan dat het gewijzigd inzicht van het uitvoeringsorgaan, dat in een dergelijk geval aan de orde is, inderdaad juist is. In het onderhavige geval is daaraan volgens de rechtbank voldaan.

De in hoger beroep van de zijde van appellant aangevoerde grieven vormen in essentie een herhaling van hetgeen reeds eerder naar voren is gebracht. De Raad overweegt dat hij zich volledig kan vinden in de met betrekking tot die grieven door de rechtbank gegeven overwegingen en het daarop gegronde oordeel, als hiervoor in samenvatting weergegeven. De Raad maakt die overwegingen en dat oordeel tot de zijne.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, voegt de Raad daaraan nog toe dat hij de rechtbank met name ook kan volgen in het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts zich op goede gronden heeft kunnen beperken tot een dossieronderzoek, nu appellant in bezwaar geen nadere objectief-medische gegevens heeft overgelegd betreffende zijn gezondheidstoestand. De Raad heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat aan de bezwaarverzekeringsarts voldoende gegevens over appellants gezondheidssituatie ter beschikking stonden voor een afgewogen oordeelsvorming.

Voorts overweegt de Raad, eveneens in reactie op hetgeen namens appellant ter zake in hoger beroep is aangevoerd, dat hij de rechtbank ook volgt in haar oordeel dat in het rapport van de medisch adviseur Wolthuis geen objectief-medische aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de zienswijze dat de verzekeringsartsen van het Uwv relevante medische informatie hebben gemist en/of de beperkingen van appellant te licht hebben ingeschat.

Ten slotte heeft ook de Raad geen aanleiding om het ervoor te houden dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies voor appellant niet haalbaar zouden zijn.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.