Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8049

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
05-4491 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Uitlooptermijn. Zorgvuldigheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:77
Algemene wet bestuursrecht 8:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4491 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

F[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2005, 05/154 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bosveld, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam als schilder, heeft vanaf september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, aanvankelijk vanwege elleboog- en schouderklachten en later mede vanwege pijnklachten in rug en (linker)been, longklachten en psychische klachten.

Bij besluit van 10 juni 2004 heeft het Uwv de uitkering, die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 17 mei 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij het bestreden besluit van 21 december 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het hiertegen door appellant ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, waarbij zij heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van dit besluit, hetgeen inhoudt dat dit wordt herroepen in die zin dat de ingangsdatum van de herziening 4 augustus 2004 is.

In hoger beroep heeft appellant het standpunt ingenomen dat hij, als gevolg van de klachten die hij zowel op 17 mei 2004 als op 4 augustus 2004 had, waaronder inmiddels ook hartklachten, niet in staat was de functies te vervullen die door het Uwv bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid in aanmerking zijn genomen. Hij heeft daartoe nog een brief van zijn longarts M. Bakker van 19 mei 2005 overgelegd, waarin staat dat hij ernstige benauwdheidsklachten heeft, waardoor het niet wenselijk is dat hij werkt in een omgeving die niet vrij is van gassen, rook, stof en dampen.

De bezwaarverzekeringsarts heeft op 27 september 2005 in deze zin de functionele mogelijkhedenlijst (FML) op het onderdeel “aanpassing aan fysieke omgevingseisen” aangescherpt. Door deze aanscherping heeft de bezwaararbeidsdeskundige twee van de drie functies die bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid in aanmerking waren genomen niet langer geschikt geacht en vervangen door andere functies, die ook in eerste instantie waren geselecteerd en aan appellant voorgehouden. De verdiencapaciteit die voortvloeide uit de nader in aanmerking genomen functies bleek toen in vergelijking met het maatmaninkomen tot een loonverlies te leiden van 34,56%, zodat appellant per

4 augustus 2004 ingedeeld bleef in de klasse 25 tot 35%. Gelet op deze uitkomst, heeft het Uwv de Raad verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

De Raad overweegt in de eerste plaats het volgende.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en daarom artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv het antwoord van de huisarts van appellant op het verzoek om inlichtingen niet heeft afgewacht en tevens dat de verlaging van de uitkering zonder uitlooptermijn heeft plaatsgevonden. Het Uwv is hiertegen in hoger beroep niet opgekomen, zodat de juistheid van deze overwegingen in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling moeten vormen.

De Raad overweegt voorts ambtshalve als volgt. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank mede uitspraak op de grondslag van het onderzoek ter zitting. In artikel 8:77, eerste lid, van de Awb is neergelegd dat de schriftelijke uitspraak de naam van de rechter of de namen van de rechters vermeldt die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld. Ingevolge artikel 8:77, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:11, tweede lid, van de Awb wordt de uitspraak ondertekend door degene die zitting heeft in de enkelvoudige kamer en de griffier. Bij verhindering van de rechter of griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.

De aangevallen uitspraak is ondertekend door mr. L.M.A. Gimbre?re als rechter. Het beroep van appellante is echter ter zitting behandeld door een andere rechter,

mr. E.F.C. Francken.

Gelet op de hiervoor vermelde artikelen van de Awb, in onderlinge samenhang bezien, dient de uitspraak van een enkelvoudige kamer te worden gedaan en ondertekend door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid, zodat de aangevallen uitspraak in strijd is met de genoemde voorschriften. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Gelet op het feit dat de rechtbank de zaak inhoudelijk heeft behandeld, partijen niet hebben verzocht om terugwijzing naar de rechtbank en de Raad daartoe voorts geen aanleiding ziet, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.

Met de aanscherping van de FML op 27 september 2005 heeft het Uwv erkend dat rekening moet worden gehouden met appellants benauwdheidsklachten. Voor de Raad is uit de beschikbare gegevens niet af te leiden dat met de aangescherpte FML de belastbaarheid van appellant is overschat. De reeds aanwezige medische informatie, alsook de aanvullende gegevens van de longarts bieden voldoende steun voor het oordeel dat de FML een juiste weergave is van appellants beperkingen.

Wat betreft de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid die daarop is gevolgd stelt de Raad vast dat daarbij uiteindelijk de functies van machinebediende (Sbc-code 264122), montage medewerker (Sbc-code 111180) en service chauffeur (Sbc-code 282101) zijn gehanteerd.

Met betrekking tot de functie van machinebediende is de Raad niet gebleken dat deze de belastbaarheid van appellant te boven gaat.

In de omschrijving van de functie van montage medewerker is echter opgenomen dat deze als belasting kent dat dagelijks twee maal per uur ongeveer twintig kilogram achtereen getild moet worden gedurende twee uren per dag. De Raad stelt vast dat de belastbaarheid van appellant ten aanzien van tillen of dragen volgens de opgestelde FML normaal is, dat wil zeggen dat hij ongeveer vijftien kilogram kan tillen of dragen. Dit betekent dat hier sprake is van een overschrijding van de toegestane belastbaarheid. Het maximum van vijftien kilogram is tevens genoemd bij appellants belastbaarheid ten aanzien van het frequent zware lasten hanteren, waarbij is opgemerkt dat hij niet tijdens een werkuur meer dan tien maal lasten van vijftien kilogram kan hanteren. De arbeidskundige heeft in dit verband opgemerkt dat het twee maal achtereen tillen van ongeveer twintig kilogram gedurende twee werkuren per dag incidenteel is en heeft gemeend dat appellant hiertoe in staat is. Ook de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv heeft geconcludeerd dat deze functie geschikt is voor appellant.

In de omschrijving van de functie van service chauffeur is vermeld dat hij linnengoed in zakken dient af te leveren en op te halen bij bedrijven en instellingen, waarbij twee maal per uur zakken wasgoed van twintig kilogram getild moeten worden. Ook hier is derhalve sprake van een overschrijding van de belastbaarheid van appellant op het aspect ‘tillen of dragen’. Bovendien moet in deze functie vier keer per uur trap worden gelopen (met de zak wasgoed van twintig kilogram), terwijl appellant per uur maximaal twee keer kan traplopen. Het betreft één van de twee functies die alsnog bij de berekening zijn gehanteerd en die niet eerder van een toelichting door de arbeidsdeskundige waren voorzien. De bezwaararbeidsdeskundige heeft evenmin toegelicht waarom deze overschrijding aanvaardbaar zou zijn. Verder merkt de Raad op dat ten aanzien van de bijzondere belasting in deze functie voor duwen en trekken (van volle containers wasgoed) een toelichting eveneens is uitgebleven.

Met betrekking tot genoemde overschrijdingen is de Raad van oordeel dat er aanleiding was voor het geven van een (nadere) toelichting waarom deze nog aanvaardbaar zijn geacht, waarbij geneeskundige inbreng niet kan worden gemist.

Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat het Uwv bij de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de in aanmerking genomen functies voor appellant, gelet op zijn beperkingen, geschikt zijn te achten. Het bestreden besluit van 21 december 2004 is daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen.

Ook om deze reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Aan het Uwv zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant wegens de hem in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 december 2004 gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 21 december 2004;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.