Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
04/121 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/121 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (Suriname), (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2003, 02/3812 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar zoon M. Pawirosoerono. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

De Raad heeft vervolgens besloten het onderzoek in deze procedure te heropenen. Vervolgens is aan de psychiater G. Nabarro verzocht van verslag en advies te dienen aan de hand van diverse vragen. Het rapport van deze deskundige is op 26 september 2006 ingekomen ter griffie van de Raad. Bij brief van 24 oktober 2006 heeft Nabarro nog informatie verkregen van de huisarts aan de Raad gezonden.

Partijen hebben schriftelijk gereageerd op het rapport van Nabarro. Naar aanleiding van die reacties heeft Nabarro, op verzoek van de Raad, bij brief van 22 december 2006 zijn conclusies nader toegelicht. Het Uwv heeft bij brief van 18 januari 2007 nog een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 19 april 2007. Namens appellante is daarbij verschenen mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

Appellante heeft op 7 februari 1986 haar full-time werk als winkelverzorgster in dienst van Boni-markten B.V. te Nijkerk gestaakt wegens depressieve klachten. Bij besluit van 4 maart 1987 heeft het Uwv, onder meer, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellante toegekend gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In maart 1988 heeft de verzekeringsgeneeskundige H. Rebattu-Nicolai vastgesteld dat appellante in verband met een depressie niet geschikt is voor duurzaam te verrichten arbeid. Appellante is in 1988 teruggekeerd naar Suriname.

Appellante is in 1991 en 1997 op verzoek van het Uwv door een arts in Suriname onderzocht. Na kennisneming van de bevindingen van deze artsen heeft het Uwv besloten appellante wegens psychische beperkingen, voortvloeiend uit een depressie, ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te beschouwen.

In december 2000 is appellante op verzoek van het Uwv opnieuw door een arts in Suriname onderzocht. In zijn rapport van 1 december 2000 komt de contact-arts

J.Ch. Rasam tot de slotsom dat sprake is van een depressief syndroom, met vitale kenmerken, en een paniekstoornis. Hij acht appellante niet in staat om loonvormende arbeid te verrichten. De verzekeringsarts L.J. Schaap acht vervolgens een onderzoek door een psychiater in Nederland noodzakelijk. De psychiater K.R.M. Wettstein heeft appellante op 15 juni 2001 onderzocht. In zijn rapportage is deze psychiater tot de slotsom gekomen dat bij appellante sprake is van een angststoornis NAO en dat zij last heeft van stemmingswisselingen. Een persoonlijkheidsproblematiek is volgens Wettstein niet uit te sluiten, maar hij meent dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om daarvan uit te gaan. Na kennisneming van dit rapport stelt de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk een belastbaarheidsprofiel op, waarbij de psychische belastbaarheid van appellante op drie van de tien gehanteerde aspecten beperkt wordt geacht.

Bij besluit van 24 september 2001 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de WAO met ingang van 6 oktober 2001 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% zou bedragen. Aan dit besluit ligt de medische beoordeling van Van Eldijk ten grondslag, alsmede een arbeidskundige beoordeling, volgens welke er met inachtneming van de vastgestelde beperkingen sprake is van geschiktheid voor een aantal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschikt-heid van 0%. Bij beslissing op bezwaar van 31 juli 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 september 2001 ongegrond verklaard, zij het dat daarbij besloten is appellantes uitkering per 12 oktober 2001 in plaats van per 6 oktober 2001 in te trekken.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat niet is gebleken dat het Uwv de voor appellante geldende beperkingen onjuist heeft vastgesteld.

De psychiater G. Nabarro is in zijn rapportage tot de slotsom gekomen dat bij appellante sprake is van een “depressieve stoornis, chronisch, ernstig”, welke tot gevolg heeft

dat een aantal psychische functies, waaronder de stemmings- en angstregulatie, de cognitieve functies, alsmede het functioneren in contact met anderen gestoord zijn. Volgens de deskundige hebben deze functiebeperkingen tot gevolg dat de belastbaarheid van appellante in een werksituatie aanzienlijk verminderd is. In zijn brief van

22 december 2006 heeft Nabarro desgevraagd medegedeeld dat appellante beperkt is

ten aanzien van alle aspecten van de psychische belastbaarheid genoemd in het belastbaarheidsprofiel.

Bij besluit van 13 september 2006 heeft het Uwv met ingang van 25 juli 2005 weer een uitkering ingevolge de WAO, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100% aan appellante toegekend. Daarbij is het Uwv ervan uitgegaan dat sprake is van toegenomen klachten ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak vanaf 27 juni 2005.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 12 oktober 2001 terecht heeft vastgesteld op minder dan 15%. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of het Uwv in voldoende mate rekening heeft gehouden met de toen voor appellante geldende psychische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.

De Raad beantwoordt laatstgenoemde vraag ontkennend. Uit de rapportage van de deskundige Nabarro blijkt namelijk dat appellante op 12 oktober 2001 leed aan een chronische en ernstige depressieve stoornis. Deze stoornis had volgens de deskundige tot gevolg dat de belastbaarheid van appellante in een werksituatie aanzienlijk verminderd was. Daarbij heeft hij gewezen op diverse psychische functies die gestoord zijn bij appellante, waaronder de stemmings- en angstregulatie, de cognitieve functies, en het functioneren in contact met anderen. In zijn rapportage heeft Nabarro de vraag of hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid weliswaar bevestigend beantwoord, doch uit de motivering bij dit antwoord blijkt reeds dat de deskundige daarbij afgegaan is op gedingstuk B51.2, waarin slechts is vermeld dat de psychische belastbaarheid van appellante beperkt is. Desgevraagd heeft Nabarro in zijn brief van 22 december 2006 aangegeven dat appellante op alle (tien) aspecten van de psychische belastbaarheid beperkt is.

De Raad is van oordeel dat op grond van de rapportage van de deskundige Nabarro, zoals aangevuld bij zijn brief van 22 december 2006, in ieder geval geconcludeerd moet worden dat voor appellante op 12 oktober 2001 meer psychische beperkingen golden dan het Uwv heeft aangenomen. Daarbij wijst de Raad er allereerst op dat geen sprake is van een geheel gewijzigd oordeel van de deskundige in zijn brief van 22 december 2006 met betrekking tot de belastbaarheid van appellante. De conclusie zoals vermeld in deze brief ligt immers logisch in het verlengde van de opmerking die Nabarro reeds in zijn rapportage heeft gemaakt met betrekking tot de belastbaarheid van appellante, waarbij is aangegeven dat de prognose als niet al te optimistisch dient te worden ingeschat en dat er sprake is van een persoonlijkheidsstructuur die herstel in de weg staat. Voorts acht de Raad van belang dat uit de gegevens omtrent de psychische problematiek van appellante vanaf 1986 blijkt dat weliswaar sprake is van een soms wat wisselend beeld, maar dat in ieder geval sprake lijkt te zijn van een voortdurende ernstige depressie. Ten slotte wijst de Raad er nog op dat de gemachtigde van het Uwv desgevraagd niet heeft kunnen toelichten op grond van welke gegevens aangenomen is dat vanaf juni 2005 sprake is van een toename van de psychische klachten van appellante, nu uit de rapportage van Nabarro en met name de daarbij gevoegde informatie van de behandelend psychiater niet blijkt van duidelijke wijzigingen in het depressieve toestandsbeeld van appellante. Uit de informatie van de behandelend psychiater blijkt immers dat voor zover al sprake is van een wijziging die reeds vóór of omstreeks de datum in geding aan de orde was, als reactie op de intrekking van de WAO-uitkering.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit berust op een onjuiste althans onzorgvuldig voorbereide medische grondslag. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Het Uwv dient met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten wat betreft de procedure in beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 483,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte recht van € 116,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) P.H. Broier.

PR/010607