Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
06/1516 WWB + 06/1517 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens tengevolge van bezit auto. Redelijke beleidsbepaling?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1516 WWB

06/1517 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 februari 2006, 05/1584 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2007. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L.H.J.F. Schlenter bc, werkzaam bij de gemeente [woonplaats].

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen in ieder geval vanaf 1989 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van

1 februari 2005 is de bijstand op verzoek van appellanten beëindigd.

In het kader van een in augustus 2004 gehouden hercontrole is het College gebleken dat op naam van appellant een auto staat geregistreerd die appellanten niet hadden opgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand, waarbij is gebleken dat vanaf 15 april 2004 op naam van appellant een auto van het merk Volkswagen, type Bora V5 staat geregistreerd. Voorts is komen vast te staan dat appellant voor deze auto de wegenbelasting en de verzekeringspremie betaalt.

De bevindingen en conclusies van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van

16 maart 2005, waren voor het College aanleiding om bij besluit van 18 maart 2005 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode van 15 april 2004 tot en met 31 januari 2005 in te trekken. Het College heeft daartoe overwogen dat appellant sedert 15 april 2004 op zijn naam een auto heeft staan die een waarde vertegenwoordigt die het van toepassing zijnde vrij te laten vermogen overschrijdt. Met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WWB heeft het College voorts besloten de over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.564,49 van appellanten terug te vorderen.

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het College het tegen het besluit van 18 maart 2005 gemaakte bezwaar gegrond verklaard ter zake van de hoogte van de terugvordering en dat bedrag nader vastgesteld op € 4.067,76. Onder verwijzing naar het daartoe uitgebrachte advies van de Commissie voor de bezwaarschriften is overwogen dat per

15 april 2004, uitgaande van de waarde van de auto van € 23.500,-- verminderd met het vrij te laten van vermogen van € 10.130,-- en een schuld aan de gemeente van € 9.302,24, de overschrijding van de vermogensgrens € 4.067,76 bedraagt. De hoogte van het bedrag van de terugvordering is vervolgens tot dit laatste bedrag beperkt. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

5 juli 2005 ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank het College veroordeeld in de proceskosten van appellanten in beroep.

Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij het beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad zal allereerst ingaan op de stelling van de gemachtigde van appellanten dat het College niet alle stukken in het geding heeft gebracht en daarom niet in overeenstemming met artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld en daarmee tevens in strijd is gekomen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan binnen een bepaalde termijn “de op de zaak betrekking hebbende stukken” aan de rechtbank zendt. Anders dan de gemachtigde van appellanten - gelet op de door hem genoemde ontbrekende stukken - kennelijk meent, is het bestuursorgaan niet gehouden alle stukken die op de betrokkene van toepassing zijn aan de rechtbank te zenden, doch slechts die stukken welke op

“de zaak” betrekking hebben. In het onderhavige geval is de vraag aan de orde of gedurende de door het College aangegeven periode van 15 april 2004 tot en met

31 januari 2005 sprake is van overschrijding van de voor appellanten van toepassing zijnde vermogensgrens in verband met het (kunnen) beschikken over een auto. De Raad is niet gebleken dat het College heeft verzuimd alle op deze zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Tot het dossier behoren de stukken die nodig zijn om te beoordelen gedurende welke periode tot wiens vermogen de betreffende auto moet worden gerekend en wat de waarde van deze auto is. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat van strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb geen sprake is. Van strijd met artikel 6 van het EVRM dan wel met enig beginsel van behoorlijke procesorde is de Raad in dit verband evenmin gebleken.

De Raad overweegt voorts dat hij zich met het oordeel van de rechtbank kan verenigen

- alsmede met de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid - dat appellant in de hier aan de orde zijnde periode beschikte over een auto met een waarde die gedurende dat tijdvak de van toepassing zijnde vermogensgrens overschreed. Ook verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft nagelaten het bezit van deze auto aan het College te melden.

Van strijd met artikel 3:2 van de Awb in die zin dat het College de waarde van de auto niet correct heeft vastgesteld, zoals in hoger beroep namens appellanten is gesteld, is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Voor de waarde van de auto is het College uitgegaan van de (dag)waarde volgens de koerslijst van de ANWB, rekening houdend met de ouderdom van de auto en een kilometerstand van 20.000. De waarde volgens het zogeheten Carbase-programma kwam nog enigszins hoger uit. Het College is naar het oordeel van de Raad terecht uitgegaan van de waarde volgens de ANWB-koerslijst. Vervolgens is het aan appellant om aan te tonen dat deze waardebepaling niet juist is. Wat de door appellant gestelde schade aan de auto betreft, overweegt de Raad dat op geen enkele wijze is aangetoond dat de betreffende auto de gestelde schade had en, zo ja, wanneer dat het geval was. Uit de door appellant overgelegde foto’s kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat het om de in geding zijnde auto gaat. Voorts stelt de Raad vast dat, indien er ten tijde in geding sprake was van schade aan de auto, hiermee nog niet is gegeven dat de waarde van de auto daarmee onder de grens van het vrij te laten vermogen is komen te liggen.

Het vorenstaande betekent dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellanten verleende bijstand over de periode van 14 april 2004 tot en met 31 januari 2005 in te trekken. In hetgeen door appellanten is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Als gevolg van de intrekking is aan appellanten over de periode van 15 april 2004 tot en met 31 januari 2005 ten onrechte bijstand verleend. Het College was derhalve op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de kosten van bijstand over die periode van appellanten terug te vorderen. Uit de door het College aan de Raad gezonden Beleidsregels debiteuren blijkt dat het College in gevallen van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingen-verplichting steeds tot terugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand overgaat en daarvan om administratieve redenen slechts afziet indien dit bedrag lager is dan

€ 25,00. Naar het oordeel van de Raad gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten, nu daarin niet - ten minste - is opgenomen dat in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering wordt afgezien.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 5 juli 2005 voor zover dat ziet op de terugvordering wegens strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Awb vernietigen.

Omdat de Raad vervolgens in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunt heeft gevonden voor de vaststelling dat sprake is van dringende redenen als hiervoor bedoeld, ziet de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van dit besluit in stand te laten. Overigens merkt de Raad in dit verband nog op dat appellanten met de vaststelling in het besluit van 5 juli 2005 van de hoogte van de terugvordering tot het bedrag van € 4.067,76 niet tekort zijn gedaan. Het College heeft de hoogte van het bedrag van de terugvordering vastgesteld op de overschrijding van de vermogensgrens en niet op het bedrag dat appellanten gedurende het tijdvak van

15 april 2004 tot en met 31 januari 2005 wegens overschrijding van de vermogensgrens gedurende die gehele periode ten onrechte aan bijstand hebben ontvangen.

Gelet op het vorenstaande moet het namens appellanten gedane verzoek om veroordeling tot schadevergoeding worden afgewezen.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, vermeerderd met € 36,30 aan reiskosten van appellant in hoger beroep

([woonplaats] - Utrecht vv).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 juli 2005 voor zover dat ziet op de terugvordering;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 juli 2005 in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 322,--

(+ reiskosten [woonplaats] - Utrecht vv appellant), te betalen door de gemeente [woonplaats] aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente [woonplaats] aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en

J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op

12 juni 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S. van Ommen.