Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7754

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
05/5696 WVG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vervoersvoorziening, rolstoel en woonvoorziening. Anti-revaliderend? Fibromyalgie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5696 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 augustus 2005, 05/412 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2007. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Wal. Het College heeft zich laten vertegen-woordigen door H. Kloezen-Oost en J. van der Eems, beiden werkzaam bij de gemeente Ooststellingwerf.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 4 februari 2004 op grond van het bepaalde bij en krachtens de

Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een vervoersvoorziening, een rolstoel en een woonvoorziening aangevraagd.

Het Regionaal Indicatie Orgaan Fryslân (hierna: RIO) heeft het College bij brief van

28 april 2004 van advies gediend. In het advies is aangegeven dat er geen indicatie bestaat voor de gevraagde voorzieningen. Er is geen sprake van een objectiveerbare aandoening. Maatregelen die leiden tot verdere bewegingsbeperkingen zijn bovendien anti-revaliderend.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het College, onder verwijzing naar het advies van het RIO van 28 april 2004, de aanvraag van appellante afgewezen.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2004

heeft het RIO op 6 september 2004 wederom een advies uitgebracht. Dit advies is op

12 oktober 2004 aangevuld. Het RIO handhaaft zijn eerdere conclusie. Het heeft daarbij aangegeven dat hoewel fibromyalgie geen objectiveerbare aandoening is, bij appellante wel sprake is van een langdurig en consistent klachtenpatroon. Vanuit de behandelend sector is echter aangegeven dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn.

Naar aanleiding van hetgeen door en namens appellante tijdens een hoorzitting op

13 december 2004 is aangevoerd heeft het College bij brief van 24 januari 2005 SCIO Consult verzocht een nader onderzoek uit te voeren naar de vraag of sprake is van een objectiveerbare aandoening en, indien hiervan sprake is, aan te geven welke voorzieningen noodzakelijk zijn.

In het advies van SCIO Consult van 23 februari 2005 is aangegeven dat bij appellante sprake is van een pijnsyndroom dat beschouwd kan worden als een stoornis. Niettemin is geen medisch objectieve belemmering van het bewegingsapparaat vastgesteld. Tevens is aangegeven dat medisch gezien een contra-indicatie bestaat voor de gevraagde voorzieningen, nu deze voorzieningen een anti-revaliderend effect zullen hebben.

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft het College het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat geen sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening. Voorts heeft het College geconcludeerd dat appellante verhuisd is naar een niet-adequate woning.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 3 maart 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft onder meer overwogen dat bij appellante geen lichamelijke en/of psychische aandoening is vastgesteld op grond waarvan, gemeten naar objectieve maatstaf, zou kunnen worden aangenomen dat sprake is van enige, wezenlijk op ziekte of gebrek terug te voeren, beperking.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort samengevat is aangevoerd dat appellante ten gevolge van een ziekte of gebrek, te weten fibromyalgie, beperkingen op het gebied van wonen en het zich binnen en buiten de woning verplaatsen ondervindt. Op grond hiervan dienen de gevraagde voorzieningen aan appellante te worden toegekend. Daarbij is aangegeven dat fibromyalgie weliswaar moeilijk objectiveerbaar is, maar dat dit niet betekent dat geen sprake zou kunnen zijn van ziekte of gebrek, nu daarvoor niet noodzakelijkerwijs een lichamelijke of psychische oorzaak behoeft te worden vastgesteld indien bij medisch deskundigen een vrijwel eenduidige en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvg moet onder gehandicapte in de zin van die wet en de daarop steunende bepalingen worden verstaan: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen. Naar vaste jurisprudentie moet het daarbij gaan om medi-sche beperkingen, naar objectieve maatstaf gemeten.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Wvg dient zowel een

woonvoorziening als een vervoersvoorziening te zijn gericht op het opheffen of

verminderen van beperkingen die een gehandicapte ondervindt. Derhalve moet er op

medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten sprake zijn van beperkingen die het treffen van een voorziening die is gericht op het opheffen of verminderen van die

beperkingen, aangewezen doen zijn.

De Raad stelt vast dat het College een uitgebreide medische advisering aan zijn

besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Het beeld dat uit de adviezen naar voren komt, is niet eenduidig. Op 28 april 2004 komt het RIO tot de conclusie dat bij appellante sprake is van chroni-sche pijnklachten/fibromyalgie. Dit wordt aangemerkt als een

niet objectiveerbare aandoening, ten gevolge waarvan de gestelde beperkingen niet

objectiveerbaar zijn. Op 6 september 2004 geeft het RIO aan dat appellante nog niet is uitbehan-deld, maar dat er wel een indicatie is voor een tijdelijke vervoersvoorziening. SCIO Consult con-cludeert vervolgens op 23 februari 2005 dat bij appellante sprake is van een pijnsyndroom dat kan worden beschouwd als een stoornis, maar dat geen

medisch objectieve beperkingen kunnen worden vastgesteld.

De Raad is van oordeel dat uit deze adviezen niet zonder meer kan worden afgeleid dat bij appel-lante geen sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening. Hij heeft

daarbij in aanmerking genomen dat het College niet heeft gemotiveerd welke maatstaf is gehan-teerd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ziekte of gebrek. De Raad acht het besluit van 3 maart 2005, dat berust op de adviezen van het RIO en SCIO

Consult, dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangeval-len uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 3 maart 2005 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de

Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigen.

De Raad ziet vervolgens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van

de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 3 maart 2005 in stand te

laten. Nog daargelaten of in de situatie van appellante sprake is van een medisch

objectiveerbare aandoening en of daaruit voor appellante beperkingen voortvloeien, vindt de Raad in de adviezen van het RIO en SCIO Consult voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de gevraagde voorzieningen voor appellante anti-revaliderend zullen

werken. Gelet op de artikelen 1 en 3 van de Wvg stelt de Raad vast dat de gevraagde voorzienin-gen in deze situatie niet als doeltreffend kunnen worden aangemerkt, nu deze vanwege het anti-revaliderende karakter ervan voor appellante niet geacht kunnen worden te zijn gericht op het op-heffen of verminderen van de door appellante ondervonden

beperkingen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante, begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 maart 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Ooststellingwerf;

Bepaalt dat de gemeente Ooststellingwerf aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en

H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) S.R. Bagga