Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
06-4533 BZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4533 BZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 juni 2006, 05/3494 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2007. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.P. van der Linden, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 4 januari 2005 een aanvraag ingediend ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Bij besluit van 10 januari 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 februari 2005, ontvangen op 25 februari 2005, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 mei 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2005 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 mei 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt met de rechtbank vast dat het bezwaarschrift van appellante ter post is bezorgd na de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht voor het indienen van een bezwaarschrift voorgeschreven termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 22 februari 2005.

Appellante heeft in haar bezwaarschrift meegedeeld dat zij pas recent wist dat zij een bezwaarschrift had moeten indienen en vervolgens bij brief van 4 maart 2005 als reden voor het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift aangevoerd dat zij niet de juiste woorden kon vinden om haar bezwaar op papier te zetten.

Evenals het College en de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat hetgeen door appellante is aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat het niet tijdig maken van bezwaar haar niet kan worden tegengeworpen. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellante in het besluit van 10 januari 2005 op de mogelijkheid van bezwaar bij het College en op de daarvoor geldende termijn is gewezen en dat zij zo nodig binnen die termijn een voorlopig bezwaarschrift bij het College had kunnen indienen.

Een en ander betekent dat de rechtbank terecht heeft afgezien van een inhoudelijke beoordeling van het geschil en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.