Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
04/7197 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7197 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2004, 02/5494 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 24 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Voor betrokkene is verschenen mr. Desloover voornoemd. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuijsen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene ontvangt sedert 17 augustus 1978 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk sedert 1 juni 1998 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Hij heeft zich vanuit Portugal toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 25 augustus 1998. Op 16 januari 2001 heeft appellant geweigerd betrokkenes uitkering te herzien omdat de toename van betrokkenes arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van appellant kennelijk het gevolg was van een andere oorzaak dan ter zake waarvan betrokkene uitkering ontving.

In het kader van de vijfdejaars herbeoordeling heeft appellant het Portugese uitvoeringsorgaan verzocht een onderzoek in te stellen naar appellants gezondheidstoestand. Van het Centro Nacional de Pensões heeft appellant een formulier E 213 ontvangen, waaruit naar voren komt dat betrokkene in verband met het syndroom van Kallman en een ernstige endogene depressie volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Bij besluit van 28 mei 2002 heeft appellant betrokkenes uitkering met ingang van 1 mei 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

25 tot 35%. Hieraan ligt een beoordeling ten grondslag volgens welke betrokkenes psychische klachten buiten de verzekering vallen en derhalve niet in aanmerking worden genomen. Op grond van zijn lichamelijke klachten, voortvloeiend uit het syndroom van Kallman, moet betrokkene 25 tot 35% arbeidsongeschikt worden geacht.

Bij het bestreden besluit van 20 november 2002 heeft appellant zijn besluit van 28 mei 2002 na bezwaar gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak betrokkenes beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aan de orde is de vraag of betrokkenes psychische klachten kennelijk zijn voortgekomen uit een andere oorzaak dan het syndroom van Kallman ter zake waarvan hij WAO-uitkering ontvangt en dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad in geval van twijfel over dit oorzakelijk verband de balans ten voordele van de betrokkene dient door te slaan. Zij is - kort gezegd - tot het oordeel gekomen dat appellant onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd op welke gronden de arbeidsongeschiktheid van betrokkene kennelijk uit een andere oorzaak voortvloeit dan ter zake waarvan hij uitkering ontvangt en signaleert daarbij dat uit de gedingstukken een beeld naar voren komt dat sprake is van een progressieve somatische aandoening waarbij in de loop der tijd ook de psychische klachten zijn verergerd. De enkele omstandigheid dat betrokkenes psychische klachten bij de vaststelling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in 1998 niet tot opname van een beperking in het belastbaarheidspatroon hebben geleid, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat thans een oorzakelijk verband als in geding afwezig is. Evenmin kan die afwezigheid worden afgeleid uit het feit dat betrokkene geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 16 januari 2001 waarbij is geweigerd zijn uitkering te herzien in verband met per 25 augustus 1998 toegenomen arbeidsongeschiktheid, nu het thans gaat om een datum in 2001, aldus de rechtbank.

De Raad kan zich geheel vinden in deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht, bevat geen nieuwe aspecten die niet reeds door de rechtbank in haar overwegingen zijn meegenomen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in verband met de kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.