Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
06-5846 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5846 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 september 2006, 06/492 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en het College hebben nadere stukken ingezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 mei 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 oktober 2005, voor zover hier van belang, heeft het College de bijstandsuitkering van appellant met ingang van 2 augustus 2005 voor de duur van twee maanden met 100% verlaagd op de grond dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden.

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 december 2005 niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat hij de nadere stukken die hij op 3 mei 2007 van het College en op 7 mei 2007 van appellant heeft ontvangen, niet bij zijn beoordeling heeft betrokken omdat bij de indiening de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn is overschreden.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die - zoals het besluit van 6 december 2005 - tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

In het voorliggende geval is niet in geschil dat het besluit van 6 december 2005 door het College per aangetekende post is verzonden naar het adres van appellant. De Raad stelt vast dat de verzending van het besluit van 6 december 2005 heeft plaatsgevonden op 12 december 2005. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het besluit van 6 december 2005 als verzenddatum 12 december 2005 vermeldt en dat het College onweersproken heeft gesteld dat uit het interne postregister blijkt dat de brief op 12 december 2005 per aangetekende post is verzonden. De stelling van appellant dat verzending van het besluit van 6 december 2005 op 12 december 2005 onwaarschijnlijk is omdat laatstgenoemde datum op een zaterdag valt en het gemeentehuis dan gesloten is, kan de Raad niet volgen, aangezien 12 december 2005 op een maandag valt. Gelet op het vorenstaande is de beroepstermijn op 13 december 2005 aangevangen en op 23 januari 2006 geëindigd.

Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Abw is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. In artikel 6:9, tweede lid, van de Awb bepaald dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig is ingediend, indien het vóór het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De Raad neemt als vaststaand aan dat het op 23 januari 2006 gedateerde beroepschrift van appellant van per gewone post aan de rechtbank is verzonden en daar eerst op 27 januari 2006 is ingekomen. Met de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat niet tevens als vaststaand kan worden aangenomen dat het beroepschrift vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. De Raad acht daarbij van doorslaggevend belang dat op de enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden een poststempel met de datum 26 januari 2006 is aangebracht. Appellant heeft zijn stelling dat hij het beroepschrift op 23 januari 2006 in Bladel ter post heeft bezorgd en dat de datum van de poststempel ziet op de datum waarop het poststuk in het regionale postcentrum is verwerkt niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft gesteld over termijnen die door het College niet in acht zijn genomen, geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Appellant heeft voorts gesteld dat hij door de langdurige onzekerheid of hij zijn geld nog zou krijgen en de zware psychische belasting die daarvan het gevolg was niet in staat was zijn belangen naar behoren te (doen) behartigen. Nu ook deze stelling niet is onderbouwd, bijvoorbeeld door objectieve medische gegevens, zoals een verklaring van een arts, kan de Raad daaraan niet de door appellant gewenste betekenis toekennen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2007.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R.J. van der Veen.