Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
06/4098 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand voor dieetkosten en kosten van alternatieve geneesmiddelen. Geen medische noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4098 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 juni 2006, 06/616 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 juni 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.H.J.M. Dohmen, advocaat te Maastricht hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2007. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. C.M.J. Herings, advocaat te Maastricht. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 28 december 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor - onder meer - dieetkosten en kosten van alternatieve geneesmiddelen. Bij besluit van 28 april 2005 heeft het College, na gevraagd advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), deze aanvraag afgewezen op de grond dat er geen medische noodzaak aanwezig is voor het volgen van een dieet dan wel voor het gebruik van alternatieve geneesmiddelen.

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft het college, na een verkregen nader advies van het CIZ, het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 februari 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijstand voor zover deze niet beschikt over middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover deze niet meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Bij aanvragen om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB dient allereerst te worden vastgesteld of sprake is van noodzakelijke kosten. Indien hiervan geen sprake is dient de aanvraag te worden afgewezen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de noodzaak tot het verlenen van bijzondere bijstand voor de dieetkosten en de kosten voor alternatieve geneesmiddelen niet aannemelijk is geworden. De Raad onderschrijft daarbij de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Het College heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor dieetkosten en kosten voor alternatieve geneesmiddelen dan ook terecht afgewezen.

Hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Met betrekking tot de grond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat door appellante geen medische gegevens zijn aangevoerd die de zorgvuldigheid van het medisch advies van het CIZ in twijfel trekken, merkt de Raad op dat appellante is gezien op het spreekuur van de CIZ-arts, die de informatie uit de behandelend sector heeft meegewogen in haar advies. Daarbij benadrukt de Raad dat de informatie van de behandelend specialist Van Lint niet zonder meer het standpunt van appellante ondersteunt, terwijl het door het Academisch Ziekenhuis Maastricht verrichte onderzoek naar de vermeende glutenintolerantie, zoals ter zitting van de Raad door de gemachtigde van appellante is verklaard, niet een goed waarneembaar resultaat heeft opgeleverd. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G. van der Wiel en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.E. Lysen.