Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
04-6650 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6650 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 9 november 2004, 04/475 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid, ontleent de Raad de navolgende feiten en omstandigheden:

“Eiseres is fulltime werkzaam geweest als telefoniste/callcentermedewerkster in dienst van [naam werkgever]. Na einde van dit dienstverband is eiseres gedurende 28 uren per week gaan werken als telefonisch enquêtrice in dienst van [werkgever 2]. Daarnaast heeft zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen voor 12 uren per week. Op 16 augustus 2002 is eiseres tengevolge van spierklachten, gewrichtsklachten, rugklachten en vermoeidheidsklachten ongeschikt geworden tot het verrichten van (haar) werkzaamheden.”

In verband met de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft de verzekeringsarts i.o. R. Jansen appellante op 19 juni 2003 op haar spreekuur gezien en mede op basis van informatie van de behandelende sector de diagnose fibromyalgie gesteld en ten aanzien van appellante beperkingen voor het verrichten van arbeid aangenomen bij het sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige L.C. Gerzon het hoger gekwalificeerde werk als fulltime telefoniste/callcentermedewerkster als maatgevende arbeid aangemerkt en appellante voor dit werk ongeschikt geacht omdat met name de belasting bij het werken met toetsenbord en muis van meer dan vier uur per dag haar belastbaarheid te boven ging. Voorts heeft hij met raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd die appellante met haar beperkingen zou kunnen vervullen. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteerde in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Bij besluit van 10 september 2003 heeft het Uwv vervolgens geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen, onder overweging dat zij na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 15 augustus 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Bij de behandeling van het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts

L. ten Hove appellante op de hoorzitting gezien, haar nadere vragen gesteld en nadere informatie van de behandelende sector in ontvangst genomen, op basis waarvan zij het oordeel van de verzekeringsarts heeft onderschreven. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper, mede gezien een nader rapport van de arbeidsdeskundige Gerzon, geconcludeerd dat appellante alsnog geschikt was te achten voor haar maatgevende arbeid. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige na het wegvallen van een aantal aan de schatting ten grondslag gelegde functies vanwege restricties bij het aspect staan op basis van een hernieuwde raadpleging van het CBBS een aantal nieuwe functies geselecteerd om daarop de theoretische schatting ongewijzigd (subsidiair) te baseren. Bij het besluit op bezwaar van 5 maart 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat appellante zowel op basis van geschiktheid voor het eigen werk als op basis van de geselecteerde functies op 15 augustus 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen geen reden te zien de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden of het advies van een medisch deskundige in te winnen, nu geen medische informatie was overgelegd die een ander licht wierp op de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen tot het verrichten van arbeid op de in geding zijnde datum 15 augustus 2003. De rechtbank heeft daarbij omtrent de gestelde diagnose fibromyalgie overwogen dat deze uitsluitend is gebaseerd op de subjectieve klachtenbeleving van appellante en derhalve ingevolge de jurisprudentie van deze Raad geen basis kan vormen voor de conclusie dat sprake is van arbeidsongeschikt-heid in de zin van de WAO.

Ten aanzien van de subsidiaire arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv desgevraagd heeft aangetoond dat de in de bezwaarfase nader geselecteerde functies ook op de datum in geding aanwezig waren en vastgesteld dat deze functieselectie in overeenstemming is te achten met het Besluit uurloonschatting 1990. Wat betreft de geselecteerde functie acquisiteur met SBC-code 516180 volgde de rechtbank het oordeel van het Uwv dat de binnen deze SBC-code vallende functie accountmanager met 5 arbeidsplaatsen in verband met het vereiste rijbewijs B diende te vervallen. De conclusie van het Uwv dat de binnen deze SBC-code overblijvende functie van telemarketeer met dertig arbeidsplaatsen onverminderd aan de schatting ten grondslag kon worden gelegd, deelde de rechtbank niet, nu het Uwv daarmee miskende dat deze functie gemiddeld negen uren per week wordt uitgeoefend, zodat dit zou resulteren in een aanzienlijke reductiefactor. De rechtbank is evenwel tot de conclusie gekomen dat bij weglating van de functie met SBC-code 516180 voldoende functies resteerden om daarop de schatting naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% ongewijzigd te baseren.

Wat betreft de primaire arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellante in staat was te achten tot het fulltime verrichten van haar maatgevende arbeid als callcentermedewerkster.

In hoger beroep heeft appellante met name de medische grondslag van het bestreden besluit en het oordeel van de rechtbank hieromtrent aangevochten, zulks onder overlegging van medische rapporten van de huisarts H.M. Kole, de revalidatie-arts J.W.T. Michels, de systeemtherapeut H. Breugem en de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard.

Het Uwv heeft daarop schriftelijke reacties van de bezwaarverzekeringsarts ingediend en voorts de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, bezien in het licht van de recente uitspraken van deze Raad van 9 november 2004

(LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) en 12 oktober 2006 (LJN AY9971, AY9973, AY9974, AY9976, AY9980) inzake het CBBS, nader gemotiveerd.

De Raad oordeelt als volgt.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad dat de belastbaarheid van appellante met de (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst van 27 juni 2003, zoals opgemaakt door de verzekeringsarts en onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts, niet is overschat.

De Raad laat daarbij meewegen dat de van de zijde van appellante overgelegde medische rapporten betrekking hebben op latere (onderzoeks)data dan de hier in geding zijnde datum 15 augustus 2003, terwijl uit het verslag van de hoorzitting op

13 januari 2004 naar voren komt dat de gezondheidstoestand van appellante sedert de datum in geding is verslechterd. In die rapporten kan geen toereikende objectief-medische steun worden gevonden voor de opvatting van appellante dat zij op 15 augustus 2003 ernstiger beperkt was dan waarvan de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv is uitgegaan. De Raad betrekt daarbij ook de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 23 februari 2007 op het rapport van 4 oktober 2006 van voormelde zenuwarts Busard, onder meer inhoudend dat die zenuwarts bij het ontbreken van afwijkingen in psychiatrische zin appellante bezwaarlijk als beperkt had mogen aanmerken.

Overigens merkt de Raad op dat het beroep van de rechtbank op de vaste jurisprudentie van de Raad inzake het aannemen van een uitzondering bij het ontbreken van objectiveerbare beperkingen in dit geding niet opgaat. Immers blijkens de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige gegevens staat niet de diagnose fibromyalgie als grondslag van de aan appellante toe te schrijven beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek ter discussie maar uitsluitend de ernst en omvang van de daaruit voorvloeiende beperkingen.

Wat betreft het arbeidskundige gedeelte van de schatting kan en zal de Raad, gelet op het hierna volgende, uitdrukkelijk in het midden laten wat er zij van de primaire grondslag van het bestreden besluit en het oordeel van de rechtbank hierover dat appellante geschikt is te achten voor haar maatgevende werk.

Wat betreft de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank dat de functie telemarketeer met SBC-code 516180 niet zonder consequenties voor de mate van arbeidsongeschiktheid aan die schatting ten grondslag kan worden gelegd maar dat voldoende functies resteren om daarop ongewijzigd de schatting te kunnen baseren.

De Raad stelt voorts vast dat een deugdelijke toelichting waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend zijn geacht voor appellante, in hoger beroep is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige M.A. Oudenaller in zijn rapport van 31 januari 2007. Naar het oordeel van de Raad zijn met dit rapport van de bezwaar-arbeidsdeskundige de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies uiteindelijk voldoende en adequaat toegelicht en is hiermee op voldoende wijze inzicht geboden in en voldoende mogelijkheid tot toetsing verschaft van de arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust.

De vaststelling dat eerst in hoger beroep het bestreden besluit is voorzien van een deugdelijke onderbouwing leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep, voor verleende rechtsbijstand, en op € 1.572,-- in hoger beroep, bestaande uit de kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep ad € 322,-- en de kosten van het uitgebrachte rapport van de zenuwarts Busard ten bedrage van € 1.250,--, in totaal € 1.894,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.894,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.