Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
06-3383 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering van betrokkene ten onrechte blijvend geheel geweigerd. Geen sprake van verwijtbare werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3383 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 april 2006, 05/2337 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 februari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.D. Kramer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Namens appellant is verschenen mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is vanaf 1 juli 1989 werkzaam geweest bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever), laatstelijk in de functies van projectmanager en acquisitiemanager. Bij brief van 1 oktober 2003 heeft de werkgever appellant ontslag aangezegd vanwege de nieuwe opzet van de organisatie en de terugloop in projecten met 50% waardoor het overgrote deel van de functie van appellant is vervallen. Met ingang van 2 oktober 2003 is appellant vrijgesteld van werkzaamheden. Bij beschikking van 18 mei 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever met ingang van 1 juni 2004, onder toekenning van een vergoeding aan appellant van € 181.112,--, ontbonden. Onder de gegeven omstandigheden achtte de kantonrechter het niet reëel te verwachten dat van een vruchtbare voorzetting van het dienstverband nog sprake kon zijn. De werkgever heeft vervolgens het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingetrokken en heeft appellant via zijn gemachtigde opgeroepen om op 2 juni 2004 weer op het werk te verschijnen. Op 10 juni 2004 heeft de werkgever appellant een voorlopige functiebeschrijving van de functie van marketingassistent gezonden. Hij heeft daarbij aangekondigd dat hij, vanwege de omstandigheid dat appellant arbeidsongeschikt zou zijn tot 21 juni 2004, contact zou opnemen met de bedrijfsarts om bedrijfsmaatschappelijk werk van de Arbo Unie in te schakelen. Vervolgens heeft de kantonrechter, op verzoek van appellant, bij beschikking van 23 augustus 2004 de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 december 2004 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van

€ 132.500,--. De kantonrechter was hierbij van oordeel dat er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden en dat die wijziging appellant niet is te verwijten.

1.3. Op 24 november 2004 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd, welke hem bij besluit van 8 december 2004 bij wijze van maatregel blijvend geheel is geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is. Appellant had volgens het Uwv ontslag genomen zonder dat dit noodzakelijk was. Bij besluit op bezwaar van 14 juli 2005 heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij voordat hij de procedure bij de kantonrechter heeft aangespannen alles in het werk heeft gesteld om zijn werk te behouden. Het feit dat er na zijn ontslag met ingang van 1 juni 2004 wel vervangende werkzaamheden bleken te zijn terwijl er in de periode tot 1 oktober 2003 geen passend werk voor hem was, was voor appellant zo onverkwikkelijk dat hij niet in staat was om op het aanbod van de werkgever in te gaan.

4. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

4.1. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

4.2. De Raad is met de rechtbank en het Uwv van oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen. De beweegredenen die appellant daarvoor in hoger beroep heeft aangevoerd acht de Raad van onvoldoende gewicht om aan te nemen dat de voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van hem had kunnen worden gevergd. In het bijzonder had appellant uit een oogpunt van toepassing van de WW meer inspanningen moeten verrichten om zijn bijdrage te leveren aan het werkbaar maken van de arbeidsrelatie bijvoorbeeld door te pogen een compromis te bereiken over het hervatten in de hem aangeboden werkzaamheden. Vanuit die situatie had appellant kunnen omzien naar een andere baan. Appellant heeft volstaan met het van de hand wijzen van die werkzaamheden.

4.3. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW is het Uwv dan ook in beginsel gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW appellant niet in overwegende mate zou kunnen worden verweten, in welk geval het uitkeringspercentage over een periode van 26 weken zou moeten worden verlaagd van 70 naar 35. Anders dan het Uwv en in tegenstelling tot de rechtbank acht de Raad hier van laatstbedoeld geval sprake.

4.4. De Raad heeft hierbij laten wegen dat het aandeel van de werkgever in het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding zodanig is geweest dat het appellant niet in overwegende mate kan worden verweten dat hij de kantonrechter heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Uit de ter beschikking staande gegevens komt naar voren dat er in september 2003 met appellant afspraken zijn gemaakt over zijn werk als projectcoördinator en communicatiecoördinator, waarbij expliciet is vastgelegd dat de door appellant voorgestane projectaanpak doorgang zou vinden. Vervolgens is hem op 1 oktober 2003 ontslag aangezegd en op 2 oktober 2003 heeft de werkgever zijn relaties en medewerkers meegedeeld dat appellant niet meer bij hem werkzaam was. De werkgever heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden van appellant in de periode van september 2003 tot 1 oktober 2003 nagenoeg zouden zijn vervallen. Van enige kritiek op het functioneren van appellant niet is gebleken. Verder is in het ontbindingsverzoek van de werkgever gesteld dat de terugkeer van appellant bij het bedrijf niet meer mogelijk was nu er geen passende functies voor hem te vinden waren, terwijl na het intrekken van het ontbindingsverzoek appellant alsnog een baan is aangeboden. Gezien voormelde omstandigheden acht de Raad voldaan aan de voorwaarden om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, als bedoeld in de zin van artikel 27, eerste lid, van de WW.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen derhalve te worden vernietigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten wegens verleende rechtsbijstand, begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant, begroot op € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 142,-- (€ 37,-- + € 105,--) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.