Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
05-5267 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Werk van de maatvrouw. Het Uwv heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de vraag of soortgelijke arbeid als het laatstelijk door betrokkene verrichte werk bij andere werkgevers voor handen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5267 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 juli 2005, 04/5032 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.W.B. van Westen, thans advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak. Bij brieven van 12 december 2006, 11 april 2007 en 23 april 2007 zijn nadere stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 4 mei 2007. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 20 oktober 2004 waarbij is gehandhaafd het besluit van 29 april 2004 tot de beëindiging per 5 april 2004 van de eerder aan appellante toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hieraan ligt ten grondslag dat appellante niet langer door ziekte of gebrek is verhinderd tot het verrichten van haar werkzaamheden als opvangmedewerkster bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) gedurende 32 uren per week (het werk van de maatvrouw).

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische oordeel als juist aanvaard. Dit oordeel komt er op neer dat de eerdere psychische problematiek ten tijde van belang is opgeklaard, terwijl de te objectiveren rugklachten van appellante niet aan het verrichten van haar eigen, rugsparende arbeid in de weg staan. De door appellante in het geding gebrachte informatie van haar behandelaars in de pijnkliniek van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht, nu deze gegevens in het oordeel van de (bezwaar-)verzekeringsarts zijn betrokken.

De door appellante in hoger beroep geuite klacht, naar de Raad begrijpt er toe strekkende, dat de rechtbank haar uitdrukkelijk onder het stellen van een termijn had moeten uitnodigen om in aanvulling op de informatie van het LUMC nadere medische gegevens in het geding te brengen, faalt. Naar vaste rechtspraak is het in het algemeen aan appellante om tegenover het op grond van zorgvuldig onderzoek tot stand gekomen, gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige rapport haar stelling dat de verzekeringsarts de voor haar geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen heeft onderschat, met medische gegevens te onderbouwen. In dit geval zijn er geen redenen om van die vaste lijn af te wijken. Daarvoor is in elk geval onvoldoende de enkele omstandigheid dat appellante het beroep in eerste aanleg zelf heeft gevoerd.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts de voor appellante geldende medische beperkingen juist heeft vastgesteld en dat de door haar laatstelijk als verrichte werkzaamheden voor haar (medisch) als geschikt dienen te worden aangemerkt. De in hoger beroep ingebrachte medische informatie leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Voor een belangrijk deel zien deze gegevens op een latere datum. Voor het overige bevestigt deze informatie de subjectieve pijnbeleving, maar zonder dat hiervoor een medische verklaring blijkt die aanleiding vormt tot het aannemen van verdergaande beperkingen.

De geschiktheid voor het werk van de maatvrouw doet de afwezigheid van arbeidsongeschiktheid veronderstellen. Dat is echter anders als hervatting in de oude functie niet mogelijk is en het werk van de maatvrouw zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is.

In dit geval is hervatting in de oude functie niet mogelijk. Uit de arbeidskundige rapportage van 31 maart 2004 blijkt dat in februari 2004 tussen appellante en haar werkgever een conflict is ontstaan over werkhervatting: appellante heeft op medische gronden geweigerd haar werk te hervatten. Het COA heeft vervolgens haar schriftelijk bericht haar niet meer tot het werk toe te laten en heeft een ontslagprocedure in werking gezet. Hierdoor was het eigen werk voor appellante op 5 april 2004 niet langer voor haar toegankelijk.

Het Uwv heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de vraag of soortgelijke arbeid als het laatstelijk door appellante verrichte werk bij andere werkgevers voor handen is. Gelet op de functie van appellante bij het COA bestond zeker aanleiding tot een dergelijk onderzoek. Dat betekent naar het oordeel van de Raad dat aan het bestreden besluit een onvoldoende onderzoek naar de feiten ten grondslag heeft gelegen en dat het onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht komt het daarom voor vernietiging in aanmerking. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit onaangetast is gelaten, kan niet in stand blijven.

De Raad ziet geen aanleiding om te voldoen aan het verzoek ter zitting tot heropening van de behandeling om het Uwv gelegenheid te bieden tot herstel van het gesignaleerde gebrek.

Het Uwv zal in de proceskosten worden veroordeeld. De enige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten betreffen de kosten voor de aan appellante in hoger beroep verleende rechtsbijstand ad € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 20 oktober 2004;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van het geding tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat de het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het griffierecht ad € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2007.

(get.) R.C. Stam.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.