Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
06/3102 WAO + 06/3103 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-dagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3102 WAO

06/3103 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 april 2006, 05/2831 en 06/2832 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Uitenwerf, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 30 juni 2006 heeft appellante de gronden van het hoger beroep de Raad doen toekomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 april 2007, waar appellante in persoon is verschenen, terwijl het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door

mr. F.A. Put, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. Bij besluit van 15 december 1994 heeft het Uwv aan appellante ingaande 1 september 1994 een uitkering ingevolge de WAO toegekend. Het dagloon is daarbij bepaald op € 33,84. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

Bij brief van 11 november 2004 heeft appellante verzocht voornoemd dagloon te herzien. Hiertoe is gewezen op het in een latere procedure ingenomen standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige dat de functie en het inkomen van de laatste werkgever niet als maatgevend dan wel passend kan worden beschouwd.

Bij besluit van 13 juni 2005 heeft het Uwv afwijzend op het verzoek van appellante beslist, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden, welk besluit bij het bestreden besluit van 28 september 2005 is gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante in essentie haar zienswijze herhaald.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt vast dat aangezien appellante tegen het besluit van 15 december 1994 geen rechtsmiddelen heeft aangewend, dit rechtens onaantastbaar is geworden.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing alsof het betrof een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen.

In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, TAR 2002, 43). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Om die reden zal het in beginsel bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

De Raad voegt aan het voorgaande nog toe, onder verwijzing naar zijn uitspraak van

4 december 2003, JB 2004/32, dat hij thans van oordeel is dat (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol speelt.

De eerste uitkeringsdag van de aan appellante toegekende WAO-uitkering is

1 september 1994. Voor de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van

de werkzaamheden die appellante laatstelijk gedurende ongeveer 1 maand voor de

Richard Hoogland Stichting heeft verricht, terwijl het Uwv op dat moment bekend was met alle overige door appellante verrichte werkzaamheden. De latere van het eerder ingenomen standpunt afwijkende zienswijze van de bezwaararbeidskundige betekent niet dat er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De Raad is dan ook van oordeel dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan het Uwv gehouden was om haar verzoek om herziening van het dagloon per de ingangsdatum van de WAO-uitkering te honoreren.

Met betrekking tot de periode na het verzoek om herziening, bij het Uwv binnengekomen op 15 november 2004, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging. De Raad acht daarbij niet uitsluitend van belang dat van de zijde van het Uwv in een latere procedure een andere beeldvorming van het arbeidsverleden van appellante is ontstaan. Ook het gegeven dat appellante voor ongeveer een even hoog salaris als haar WW-uitkering is gaan werken bij de Richard Hoogland Stichting, teneinde haar WW-periode te bekorten, wijst er niet zonder meer op dat appellante een welbewuste keuze heeft gemaakt en dat een zekere duurzaamheid van deze dienstbetrekking kon worden verwacht. Tevens heeft de Raad in zijn oordeel mee laten wegen de ter zitting van de Raad gegeven reactie van de zijde van het Uwv dat het technisch gezien mogelijk zou zijn geweest het destijds vastgestelde WAO-dagloon anders vast te stellen.

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak en in het voetspoor hiervan het bestreden besluit op dit punt voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad stelt vast dat hem niet van kosten is gebleken, aan de zijde van appellante gevallen, welke voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 september 2005 gegrond in zoverre daarin is geweigerd het WAO-dagloon te herzien met ingang van 15 november 2004;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get). B.J. van der Net.

(get). R.E. Lysen.

PR/110507