Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
06/2598 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeente ziet in hoger beroep af van terugvordring. Geen procesbelang meer. Niet-ontvankelijkverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2598 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 maart 2006, 05/859 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.L. de Koeijer, advocaat te Terrneuzen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een brief van 16 mei 2006 aan de Raad gezonden en bij brief van

9 januari 2007 desgevraagd de Raad nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2007. Voor appellant is verschenen mr. De Koeijer. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 6 mei 1998 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 2 februari 2004 heeft het College de bijstand van appellante over

de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.803,75 van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante over genoemde periode inkomsten uit arbeid heeft genoten en daarvan in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting

aan het College niet dan wel onvolledig melding heeft gemaakt.

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

2 februari 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

16 juli 2004 ongegrond verklaard voor wat betreft dat gedeelte van het besluit dat betrekking heeft op de herziening van de bijstandsuitkering over de periode van

6 mei 1998 tot en met 31 december 1998, het beroep voor het overige gegrond

verklaard, het besluit van 16 juli 2004 in zoverre vernietigd en beslissingen gegeven inzake griffierecht en proceskosten.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juli 2004 ongegrond heeft verklaard.

Bij brief van 16 mei 2006 heeft het College de Raad meegedeeld dat op basis van de aangevallen uitspraak is besloten de vordering aan ten onrechte ontvangen bijstand van

€ 1.803,75 buiten invordering te stellen. Bij brief van 9 januari 2007 heeft het College de Raad meegedeeld dat de in verband met de betreffende vordering op de bijstandsuitkering van appellante ingehouden bedragen in mei 2006 aan haar zijn gerestitueerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat er sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

Appellante beoogt met het hoger beroep te bewerkstellingen dat de herziening van de haar verleende bijstand over de periode van 6 mei 1998 tot en met 31 december 1998 ongedaan wordt gemaakt. Het realiseren van dat resultaat kan echter voor appellante feitelijk geen betekenis hebben. Het College heeft immers aangegeven - zo begrijpt de Raad de brief van 16 mei 2006 - dat geen uitvoering zal worden gegeven aan het besluit tot herziening van de aan appellante verleende bijstand over de periode van 6 mei 1998 tot en met 31 december 1998. In verband daarmee zijn de bedragen die het College - als gevolg van de op de herziening gebaseerde terugvordering - reeds op de bijstands-uitkering van appellante had ingehouden aan haar gerestitueerd.

Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante is tekortgeschoten in de vervulling van haar wettelijke plicht tot het geven van juiste en volledige informatie. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij belang heeft bij de beoordeling van aangevallen uitspraak aangezien deze schending van de inlichtingenverplichting aanleiding kan geven tot een maatregel. De Raad volgt appellante hierin niet. Mocht het College op die grond met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB besluiten tot verlaging van de bijstand, dan kan appellante tegen dat besluit rechtsmiddelen aanwenden waarbij de vraag of de inlichtingenverplichting is geschonden door appellante aan de orde kan worden gesteld.

Het maatschappelijk belang van het verkrijgen van een uitspraak terzake van de wijze waarop het College bezwaarschriften afhandelt en de in dit geval daaraan door de rechtbank verbonden consequenties kan evenmin als een in rechte te respecteren belang worden aangemerkt.

Nu ook anderszins niet is gebleken dat appellante belang heeft bij het namens haar ingestelde hoger beroep, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De Raad ziet, nu het College hangende hoger beroep tegemoet is gekomen aan appellante, aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. Tevens ziet de Raad hierin aanleiding om te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellante dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Terneuzen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Terneuzen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en

N.J. van Vulpen-Grootjans en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar

op 5 juni 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.C. Palmboom.