Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
05-5527 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5527 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 augustus 2005, 05/366 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.E. Temmen, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2007.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Temmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. de Groot.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die werkzaam is geweest als schoonmaakster, heeft haar werk in maart 2000 ten gevolge van nek-, schouder- en armklachten moeten staken. Uit onderzoek destijds bleek dat sprake was van degeneratieve afwijkingen in de cervicale wervelkolom. Appellante werd niettemin na het einde van de wachttijd van 52 weken niet zodanig beperkt geacht dat zij niet in staat zou zijn passende werkzaamheden te verrichten.

Per 19 maart 2001 is aan haar dan ook geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. In mei 2001 heeft appellante zich na het overlijden van haar echtgenoot wegens psychische klachten weer arbeidsongeschikt gemeld. Aan appellante is vervolgens met ingang van 17 mei 2002 een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 30 november 2002 ingetrokken, omdat appellante in passende functies een zodanig inkomen kon verdienen dat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Na een ziekmelding per 12 december 2002 wegens klachten van fibromyalgie, irritable bowel syndrome en spanningsklachten is aan appellante ziekengeld toegekend, welke uitkering met ingang van 12 mei 2003 is ingetrokken. Appellante werd toen weer geschikt geacht voor de haar in het kader van de WAO voorgehouden functies.

Appellante heeft zich op 25 augustus 2004, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, weer wegens spanningsklachten ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is zij op

13 oktober 2004 op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die de medische beperkingen niet anders beoordeelde dan voorheen en appellante per 1 november 2004 niet ongeschikt achtte voor de eerder geselecteerde functies.

Bij besluit van 13 oktober 2004 is dienovereenkomstig vastgesteld dat appellante met ingang van 1 november 2004 geen recht meer had op ziekengeld.

In de bezwaarfase is appellante gezien door bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels, die na onderzoek en mede op grond van informatie van de behandelend sector geen aanwijzingen vond waaruit zou blijken dat de geduide functies als te zwaar zouden moeten worden aangemerkt. Daarbij is overwogen dat met de reeds bekende nek-, schouder- en gewrichtsklachten en duizeligheidsklachten rekening was gehouden bij het duiden van die functies.

Bij besluit van 31 januari 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde (toegenomen) klachten, waaronder die in verband met fibromyalgie, evenwichtsklachten, afwijkende bloeddruk, spastische darmklachten, concentratiestoornissen, artrose in de nek, slaapproblemen, hoofdpijn, oorsuizingen, duizeligheid en last van schitteringen en flikkeringen in de ogen.

De Raad heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid van de ZW zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, heeft de verzekerde – voorzover hier van belang – bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige inzoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO.

Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 25 augustus 2004 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellante in het kader van de WAO als geschikt konden worden aangemerkt.

Nu evenvermelde concretisering in het kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn” arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

De Raad verenigt zich verder met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Hetgeen appellante in hoger beroep, zonder nadere medische onderbouwing, heeft aangevoerd, vormt geen reden voor een ander oordeel. Dat bij appellante de diagnose fibromyalgie is gesteld, hetgeen ook bij eerder verzekeringsgeneeskundig onderzoek is onderkend, impliceert niet dat de medische beperkingen ten tijde in geding zijn onderschat.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskosten veroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

TM